Aantekeningen


Treffers 374,451 t/m 374,500 van 376,680

      «Vorige «1 ... 7486 7487 7488 7489 7490 7491 7492 7493 7494 ... 7534» Volgende»

 #   Aantekeningen   Verbonden met 
374451 Wikipedia:

Joris Hoefnagel of George Hoefnagel was een Zuid-Nederlands schilder, prentkunstenaar, miniaturist, tekenaar en handelaar. Hij staat bekend om zijn illustraties van natuurkundige onderwerpen, topografische uitzichten, boekverluchtingen en mythologische werken. Hij was één van de laatste boekverluchters en leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van topografische tekeningen.

Zijn boekverluchtingen en ornamentele ontwerpen speelden een belangrijke rol in het ontstaan van het bloemstilleven als zelfstandig schildersgenre in Noord-Europa aan het eind van de 16e eeuw. Het bijna wetenschappelijke naturalisme van zijn botanische en diertekeningen diende als model voor een latere generatie van kunstenaars in de Nederlanden.

Hoefnagel was één van twaalf kinderen van de diamanthandelaar Jacob Hoefnagel en zijn vrouw Elisabeth Vezelaer, dochter van de Antwerpse muntmeester Joris Vezelaer. Zijn zuster Susanna Hoefnagel was moeder, resp. grootmoeder van Constantijn Huygens en Christiaan Huygens. Hij huwde op 12 november 1571 te Antwerpen met Susanna van Onsem (+ voor 1584, dochter van Joos en Lijsbeth de Hertoghe). Zij hadden zeven kinderen waaronder Jacob Hoefnagel, eveneens schilder, miniaturist en Suzanna Hoefnagel die huwde met Nicolaas Snouckaert van Schauburg. Na de dood van zijn vrouw hertrouwde hij in 1584 te Wenen.


Hij reisde veel, maakte vele tekeningen van archeologische onderwerpen en was leerling van Hans Bol in Mechelen. Later verbleef hij bij keizer Rudolf II, destijds ook koning van Hongarije, en stierf in 1601 in Wenen. 
Hoefnagel, Joris (I291358)
 
374452 Wikipedia:

Maarten Harpertszoon Tromp was een Nederlands zeevaarder en luitenant-admiraal in de Nederlandse marine. Tromp geniet faam als bekend zeeheld in de Nederlandse geschiedenis.

Levensloop

Vroege jaren
Maarten Tromp werd op 23 april 1598 juliaanse kalender, 3 mei gregoriaanse kalender, gedoopt in de gereformeerde Sint-Catharinakerk van Den Briel als oudste kind van zeeofficier Harpert Maertenz en Jannetgen Barentsdochter Quack. Zijn vader, volgens een latere overlevering een naar zee weggelopen zoon van de Delftse regentenfamilie Van der Wel, zou zich vanaf 1607 "Van der Tromp" gaan noemen; wellicht in verband met het hieronder genoemde schip – de herkomst van de naam is onzeker en zij werd meestal ingekort tot een eenvoudig "Tromp". Tot 1606 bleef het gezin aan het Kolfslop te Brielle wonen; daarna verhuisde het naar de Gaperstraat in Rotterdam. Dit hing samen met de promotie, in mei 1606, van zijn vader tot kapitein bij de Admiraliteit van de Maze. Het is niet bekend welke opleiding Maarten genoot, maar hij leerde in ieder geval lezen, schrijven en rekenen.

Op zijn negende ging Tromp naar zee als scheepsjongen op de Olifantstromp, het fregat van zijn vader, dat in 1607 meedeed aan de campagne die leidde tot de Slag bij Gibraltar. De Olifantstromp deed niet mee aan die slag zelf, maar was deel van het dekkingseskader dat op volle zee bleef kruisen. Tot in 1610 bleven vader en zoon Tromp patrouillediensten uitvoeren, meestal op Het Kanaal. Dat jaar werd aan Tromps vader eervol ontslag verleend wegens het Twaalfjarig Bestand.

Die zomer nog voer Tromp met zijn vader, die inmiddels koopman was geworden, naar Guinee. Onderweg raakte hun schip slaags met zeven zeeroversschepen. Zijn vader werd gedood door een kanonskogel, waarna het schip geënterd werd en de bemanning zich ondanks aansporingen van Tromp de strijd voort te zetten, overgaf. Tromp werd slaaf te Salé maar na twee jaar door Easton vrijgemaakt. Over de precieze omstandigheden van zijn slavernij is niets bekend. Later werd het meestal zo voorgesteld dat de "Easton" in kwestie de beruchte Britse piraat Peter Easton zou zijn geweest, en dat Tromp bij de piraten als kajuitsjongen gediend had terwijl ze Salé als basis gebruikten, totdat ze voor Savoye gingen werken. In feite gebruikte Peter Easton in die tijd echter Bristol en Newfoundland als basis en deed zijn afscheid van het piratenleven zich pas in 1614 voor. Omdat er verder geen zeerover Easton bekend is, heeft men wel verondersteld dat het ging om een, overigens ook onbekend, schip de Easton.

Na thuiskomst, in 1612 of 1613, ging Tromp tegen zijn zin tijdelijk werken op een Rotterdamse werf om zijn moeder en drie zusters te onderhouden; in 1614 moest hun huis verkocht worden. In 1616 was hij weer terug op de koopvaart en maakte, misschien voor eigen rekening, een tocht naar Rouen, samen met schipper Cornelis Cornelissen de Haes uit Rotterdam. In 1617 nam hij voor acht gulden per maand als kwartiermeester dienst bij de marine, onder Moy Lambert op de konvooivaart. In 1618 ging hij mee met een expeditie tegen Algiers en Tunis. Hij werd bevorderd tot stuurman. Daarna mei 1619 zijn carrière weer zoekend in de koopvaart, op de Tuchthuis van schipper Hendrick Thijszoon, werd hij op weg naar huis na zijn ontslag in 1621 opnieuw voor een jaar gevangengenomen, nu door de Tunesiërs. De bey van Tunis, Joessoef Reis (ofwel John Ward), bood hem een positie in zijn vloot aan, maar die weigerde Tromp, welke standvastigheid de bey bewoog hem vrij te laten. In de zomer van 1622 reisde hij via Londen weer naar huis.

Voor de derde maal bij de marine
Op 23 juli 1622 ging Tromp bij de vloot als luitenant op de brik Bruynvisch bij de Admiraliteit van de Maze, onder kapitein Cornelis Cornelissen de Bagijn. Dat jaar en in 1623 was dit schip betrokken bij aanvallen op de Spaanse kust. Op 1 januari 1624 werd Tromp overgeplaatst naar een schip, van kapitein Dirck Gerritszoon Verburgh, dat deel uitmaakte van de blokkadevloot tegen Duinkerke. Op 7 mei 1624 huwde hij, na een ondertrouw op 14 april, in Brielle Dignom Cornelisdochter de Haes, de in 1599 geboren dochter van bovengenoemde schipper. Het echtpaar ging aan de Voorstraat in Brielle wonen en kreeg drie zonen: Harpert (1627), Cornelis (1629) en Johan (1632).

Op 6 juni 1624 werd Tromp kapitein op het jachtschip de St. Antonius, tot spijt van viceadmiraal Moy Lambert die hem graag als opperstuurman op zijn eigen vlaggenschip had willen hebben. Dat jaar beschermde hij haringbuizen en werd berispt toen hij zes weken te vroeg naar huis voer omdat hij t'eijnde van sijne kaes was geweest. In februari 1625 werd hij kapitein van het fregat Gelderland, een veel groter schip van 24 kanonnen, in de blokkadevloot tegen Duinkerke. Dat jaar en in 1626 begeleidde hij troepentransporten uit Frankrijk en de gebruikelijke handelsvloten. In de zomer van dat laatste jaar werd hij ernstig ziek maar herstelde weer. Op 31 december kocht hij een veel duurder huis aan de Leuvehaven in Rotterdam. Op 29 maart 1627 sloeg hij bij Plymouth een aanval van vijf Duinkerker kapers op een konvooi af, zijn eerste belangrijke gevecht als kapitein. In 1628 ging het begeleiden verder.

De Kleine Visserij deed een verzoek Tromp te benoemen als commandeur van hun beschermingsschepen, maar in april 1629 werd hij luitenant-admiraal Piet Heins vlaggenkapitein op de Vliegende Groene Draeck. Hein had hem speciaal voor die functie uitgezocht omdat Tromp volgens hem de enige officier was waarin werkelijk geen enkele fout te ontdekken viel: Dat hij veele kloekmoedige kapiteijnen hadt gekent, doch in deselven altijdt eenigen misslagh gevonden, maer nooit in Tromp, in wien hij alle deughden erkende, die in een zeeoverste worden vereischt. De samenwerking duurde echter niet lang: het kwam in juni tot een slag met een flottielje Oostender kapers, waarbij Hein sneuvelde. Tromp zette het gevecht voort en veroverde drie schepen; hiervoor kreeg hij van de Staten van Holland een gouden ereketen.

In juli 1629 koos Tromp, nog steeds op de Vliegende Groene Draeck terwijl er geen nieuwe luitenant-admiraal benoemd was, weer zee onder viceadmiraal Jasper Liefhebber om de haringvloot te beschermen. Tromp veroverde dat jaar twee Duinkerkers. Dit soort successen maakte grote indruk — de meeste kapiteins plachten in hun hele carrière niet één kaper te vangen — en de admiraliteit gaf Tromp nog eens een gouden keten, van driehonderd gulden. Toen Liefhebber voorstelde om de Draeck maar voorlopig zijn vlaggenschip te laten zijn, wezen de Rotterdamse raden dat af; het zou wel heel dom en ondankbaar zijn een Capiteijn van soo goet beleijt ende couragie, als wij der één in dienst sijn hebbende, het ongelijck soude doen van hem van sijn onderhebbende schip af te stellen. Liefhebber voelde zich hierdoor als een jonghen ofte bengel behandeld en legde de zaak voor aan de Staten-Generaal. De Admiraliteit van de Maze verdedigde haar beslissing met de stelling dat Tromp om sijn goede exploicten met het voorsegde schip alreede gedaen, van alle de werelt bemind ende gerespecteerd wert. De Staten-Generaal beslisten ten gunste van Tromp en deze werd zelfs commandeur van een eigen kruiseskader om in een wintercampagne tegen de Duinkerker kapers te patrouilleren, terwijl Liefhebber voorlopig thuisbleef om zijn schip de Prins Hendrik gevechtsklaar te maken. Tromp was die winter weer zeer succesvol; zijn eskader nam vijf Duinkerkers. Hij deed daarvan, een grote eer, in het voorjaar van 1630 persoonlijk verslag bij de Staten-Generaal die hem met een derde gouden ereketen beloonden. Grote promotie zat er echter niet meer in; de onbekwame edelman Filips van Dorp was onder politieke druk van stadhouder Frederik Hendrik opnieuw tot, voorlopig waarnemend, luitenant-admiraal benoemd. Als troostprijs benoemde Frederik Hendrik, die daartoe als admiraal-generaal het recht had, Tromp op eigen initiatief tot gewoon kapitein; een van de zestig kapiteins in vaste dienst.
Teleurstellingen

In de jaren daarna moest Tromp veel tegenspoed verduren. Een seizoen konvooidienst in 1630 leverde maar één Duinkerker schip op. In maart 1631 raakte Tromp slaags met twee Duinkerkers maar merkte toen tot zijn verbijstering dat viceadmiraal Liefhebber hem met zijn Prins Hendrik voorbij voer zonder assistentie te verlenen. Toen Tromp daarover protesteerde bij de stadhouder en de Staten-Generaal, bleek dat Liefhebber geheime orders van de admiraliteit gekregen had om voorrang te geven aan de begeleiding van een belangrijk konvooi. Om het goed te maken gaf men Tromp een vierde gouden keten, hoewel het gevecht niets had opgeleverd. In oktober van dat jaar werd Liefhebber zwaar ziek en raadde de Staten-Generaal aan Tromp tot waarnemend viceadmiraal te benoemen. Liefhebber genas weer voordat Tromp deze functie op zich kon nemen. In november liep de Draeck door een loodsfout op een zandbank bij Vlissingen en verging. Tromp moest hierdoor zes maanden aan wal blijven. Er waren twee zware schepen in aanbouw: de Aemilia en de Maeght van Dordrecht die als eerste klaar zou zijn; dit laatste schip werd aan Tromp toegezegd. Deze voorkeursbehandeling werd de admiraals echter te gortig. Van Dorp had Tromp alleen de Draeck gegund in afwachting van een eigen beter vlaggenschip; nu wilde hij niet langer wachten en ook geen tweede viool gaan spelen met Tromp als vlaggenkapitein. Uiteindelijk zou Van Dorp de Aemilia krijgen, Liefhebber de Maeght van Dordrecht en Tromp de oude Prins Hendrik. De jaren 1632 en 1633 verliepen zonder duidelijke successen, onder meer door politieke conflicten over de vraag of de hoofdtaak van de vloot de konvooidienst of de blokkade moest zijn.

Op 20 november 1633 overleed Tromps eerste vrouw; hij zou nog kapitein worden van het nieuwe schip de Swarte Leeuw maar verliet de marine plotseling op 30 mei 1634 en hertrouwde op 12 september 1634 met Alijth Jacobsdochter Arckenboudt, een in 1602 geboren dochter van een schepen en belastingontvanger uit Den Briel. Tromp werd diaken bij een kerk in Rotterdam.

Druk om voor de vierde maal in zeedienst te gaan
Het verlies van haar beste kapitein zat de Admiraliteit van Rotterdam helemaal niet lekker. Dat werd nog verergerd door een onverwachte crisis in augustus 1635; de Duinkerker kaperadmiraal Jacques Colaert glipte met twintig schepen langs de blokkadevloot en nam 89 haringbuizen. In de Hollandse steden brak een oproer uit en het huis van Liefhebber werd bijna geplunderd. In de nacht van 27 september werd Tromp door een delegatie van de Staten van Holland letterlijk van zijn bed gelicht. Ze voerden hem die ochtend naar de antichambre van, de afwezige, Frederik Hendrik bij de Statenzaal in Den Haag en poogden hem met smeekbeden, vleierijen en een beroep op zijn vaderlandsliefde hun aanbod te laten aanvaarden: Tromp zou viceadmiraal worden bij de Admiraliteit van de Maze, de Aemilia als vlaggenschip krijgen en een achterstallige rekening van 14.661 guldens aan victualiëngelden ("kostpenningen") zou meteen voldaan worden. Tromp weigerde echter, ook na een nieuw verzoek op 3 oktober waarvoor de Staten letterlijk carte-blanche hadden gekregen van de stadhouder — hij zond ze een lege ondertekende commissiebrief die ze zelf konden invullen; als ze wilden, mochten ze Tromp ook luitenant-admiraal maken — met als argument dat hij het Liefhebber en Van Dorp niet kon aandoen om met haere respective schepen in see te gaen ende haerluyden tot spott van de geheele werelt aen lant te laten wandelen. Van Dorp zei hierop: Soo Tromp dat versouck ende presentatie hadde aengenoemen, soude hem in 't schip comende de beenen aen stucken slaen.

In 1636 deed men een poging tot hervorming van de marineorganisatie. Het aantal oorlogsschepen werd teruggebracht tot 32 en speciale particuliere directiekamers moesten namens de provincies de bevoorrading gaan verzorgen en in geval van nood het uitrusten van extra schepen. Tromp werd dat jaar Directeur van 's Lants Equipagie bij de Directie van het Maaskwartier te Rotterdam. Het plan tot reorganisatie kwam van Frederik Hendrik die eigenlijk gehoopt had dat de door de vloot te beschermen kooplieden zelf in de kamers zitting zouden nemen — en wellicht een deel van de kosten zouden willen dragen. In plaats daarvan werden door de provincies ambtenaren benoemd. Van Dorp voelde de teleurstelling bij de prins goed aan en zag daarin een vrijbrief het hele systeem te gaan saboteren. Bij betalingsmoeilijkheden stuurde hij de zeelui door naar de directiekamers om daar verhaal te halen en hij bombardeerde ze met hele waslijsten aan klachten. De Kamer Rotterdam was het zo zat dat ze aankondigden om in juli 1637 hun ambt neer te leggen. Die maand maakte Van Dorp het dramatische gebaar om zijn vloot, midden in een campagne tegen de Duinkerkers, te verlaten om zich in Den Haag over de bevoorrading te gaan beklagen. Voor de Staten van Holland overlaadde hij de Directeuren, waaronder Tromp, met verwijten en scheldwoorden over de kwaliteit van het brood en het bier. De Staten verzochten de Directiekamer echter aan te blijven en zonden Van Dorp de zee weer op. Men was zeer geërgerd door het optreden van de admiraal. Dat jaar was Karel I van Engeland, die zijn vloot flink had uitgebreid, ertoe overgegaan de Nederlandse haringvissers op grote schaal dure vergunningen af te persen. Tegelijkertijd vergemakkelijkte hij in een geheim bondgenootschap met Spanje het transport van soldij en verse troepen naar het Leger van Vlaanderen. Desalniettemin liet Van Dorp in september zijn vloot terugkeren in Hellevoetsluis. Liefhebber nam ontslag en horden razende matrozen belegerden de Directiekamer tot ze hun gage kregen. De vroedschap van Rotterdam ontsloeg hierom Tromp op 13 oktober als directeur.

Op dat moment had Van Dorp echter zelf zijn positie al onhoudbaar gemaakt. In een gesprek met raadpensionaris Jacob Cats, voorzitter van een commissie van de Staten-Generaal, verklaarde hij van zins te zijn Liefhebbers voorbeeld te volgen. Cats bracht zijn woorden over aan de Staten van Holland die Van Dorps ontslag gretig aanvaarden. Frederik Hendrik verzocht de Staten een voordracht te doen van drie mannen voor de post van luitenant-admiraal. Op de lijst stonden de namen van de bejaarde Laurens Reael, de ons onbekende Pieter Nanninck en Tromp. De keuze was niet moeilijk. Tromp, erg nerveus of hij wel aan de verwachtingen kon voldoen, weigerde eerst nog maar werd na herhaald aandringen op 27 oktober 1637 benoemd tot luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland. Zijn viceadmiraal werd Witte Corneliszoon de With.

Bevelhebber van 's Lands Vloot
Als luitenant-admiraal van de oudste admiraliteit van de Republiek, was Tromp in een keer bevorderd van kapitein tot feitelijk bevelhebber van de geconfedereerde vloot. De stadhouder was immers wel admiraal-generaal, maar voerde nooit persoonlijk het operationeel bevel op zee.
De omstandigheden waren voor Tromp echter erg ongunstig. Het lukte hem wat fermer op te treden tegen de Engelsen maar voor een effectieve blokkade van Duinkerken was de vloot simpelweg te klein. Nog in december 1637 glipte een Spaans transport van 38 schepen langs zijn eskader van twaalf. Tot maart 1638 bleef Tromp in een wintercampagne op zee; in mei koos hij alweer zee voor een zomercampagne, waarin hij met wisselend succes een blokkade uitvoerde tegen Duinkerken. Hierbij maakte hij op 11 augustus voor de eerste keer van de kiellinie gebruik, een tactiek om de vuurkracht van zijn schepen zo efficiënt mogelijk in te zetten door ze in één lijn te laten varen.

De jaloezie van Witte De With die zelf luitenant-admiraal had willen worden, verziekte de verhoudingen in de marinetop. Dat verergerde toen De With in december 1638 van lafheid en plichtsverzuim beschuldigd werd en Tromp niet één lijn trok met zijn viceadmiraal. Diezelfde maand moest Tromps voorlopige aanstelling van een jaar verlengd worden en hij overwoog vanwege alle teleurstellingen de marine opnieuw te verlaten. De stadhouder wilde daar echter niet van weten en benoemde Tromp nu voor onbepaalde tijd.

In januari 1639 stak Tromp weer in zee. Op 18 februari 1639 poogden 23 Duinkerkers, overmoedig geworden door hun numerieke overwicht, met geweld uit te breken, maar Tromp versloeg ze met twaalf schepen in de Slag bij Duinkerke, zijn eerste zeeslag en overwinning als vlootcommandant. Het Duinkerker vlaggenschip werd verbrand en twee andere schepen genomen. Tromp ontving van de Staten-Generaal een vijfde gouden ereketen van tweeduizend guldens en daarna van de Staten van Holland een van duizend guldens. Zijn deel van het prijsgeld van de buitgemaakte schepen bedroeg 3525 guldens. Ook werd hij op 2 april door Lodewijk XIII van Frankrijk, toen een bondgenoot van de Republiek, benoemd tot ridder in de Orde van Sint-Michiel. Kardinaal de Richelieu schonk hem een gouden keten met een medaille waarin een miniatuur met de beeltenis van de kardinaal zelf. Op 13 april overleed echter ook zijn tweede vrouw met wie hij in 1637 een dochter Alida had gekregen, zijn vierde kind.

De Slag bij Duins
Begin 1639 was het duidelijk geworden dat Spanje dat jaar zou proberen met een extra grote hulpvloot, die later wel de Tweede Armada of Vijfde Spaanse Armada genoemd werd, met troepen en geld naar Vlaanderen door te breken. Tromps taak was het om dit transport te stoppen maar door een conflict tussen Amsterdam en de stadhouder werd zijn vloot eerst nauwelijks vergroot. Op 26 september ging hij bij het Nauw van Calais met slechts zeventien schepen het gevecht aan met een vijandelijke overmacht van 67. Door een slim gebruik van een defensieve linietactiek in de lij, lukte het hem deze Armada zo zwaar te beschadigen dat die haar toevlucht zocht op de rede van Duins (The Downs) in het neutrale Engeland. Om dit succes uit te buiten, zonden de vijf Nederlandse admiraliteiten ieder schip dat ze maar zeewaardig konden maken naar Tromp. Die lukte het een Engels ingrijpen te voorkomen door voor te wenden dat hij alleen een Spaans vertrek afwachtte. Toen zijn vloot groot genoeg geworden was, vernietigde hij op 21 oktober de Armada in de Slag bij Duins.
De overwinning bij Duins was de grootste uit Tromps carrière en de grootste tactische overwinning uit de geschiedenis van de Nederlandse marine. Bij thuiskomst werd Tromp als een ware zeeheld onthaald en geëerd met talloze vreugdevuren, gedenkprenten, lofdichten en zegezangen, waarbij de dichters dankbaar gebruik maakten van het feit dat "Tromp" zowel "troef", "trompet", als "kanon" kon betekenen. Zijn populariteit was immens. Hij kreeg van het prijsgeld de som van tienduizend guldens. Ook internationaal had hij zich nu een grote roem verworven. Lodewijk XIII verhief hem in 1640 in de adelstand door de schenking van een ridderschap met wapen. In de standsgevoelige 17e eeuw betekende dat een aanmerkelijke sociale stijging.

Die maatschappelijke opgang toonde zich ook in Tromps persoonlijke leven. Hij hertrouwde op 1 februari 1640 voor de tweede maal, met de bemiddelde en zestien jaar jongere Cornelia Teding van Berckhout, een wees uit het bekende regentengeslacht. De kosten van het huwelijk, voltrokken in de Grote Kerk te Den Haag, waren 15.960 gulden. Hij ging wonen aan het Korte Voorhout. In dat jaar schatte Tromp zijn vermogen op 86.301 gulden. Hij behoorde nu niet alleen tot de Franse adel maar ook tot het Nederlandse patriciaat. Bij zijn derde vrouw zou Tromp zes kinderen krijgen: eerst Margaretha Martina (1641), Adriaen (1642) en Johanna Maria (1644) en daarna drie die kort na hun geboorte zouden overlijden: Dina Cornelia (1650), Maerten (1652) en Maerten Harpert (1653).

Toch zaten er ook schaduwzijden aan de overwinning. Witte de With werd zo mogelijk nog jaloerser en belasterde Tromp in pamfletten. Maar ook op nationaal niveau had de overwinning verstrekkende negatieve gevolgen. Omdat de Spaanse zeemacht gebroken was, werd de Nederlandse vloot weer verwaarloosd en dat terwijl de Franse en vooral Engelse rivaliteit snel toenam nu deze staten het niet meer nodig achtten de Republiek te steunen als tegenwicht voor de Habsburgse dreiging.

Deze omslag in de internationale verhoudingen werd echter vertraagd door de Engelse Burgeroorlog. In de zomer van 1640 was Tromp, nadat hij terugkerend van de Staten van Friesland bijna op de Zuiderzee verdronken door een schipbreuk, weer bezig met de oude routine van het convoyeren; voor een blokkade van Duinkerken had hij niet eens genoeg zeewaardige schepen. In oktober nam hij twee Duinkerkers en in januari 1641 nog een fregat.

In april 1641 moest hij de veertienjarige Willem II van Oranje-Nassau naar Engeland overvaren voor diens huwelijk met de negenjarige Engelse prinses Maria Henriëtte Stuart maar al bij Hoek van Holland sloeg de grote mast van de Aemilia zodat Witte de With de eer kreeg. In juni bracht Tromp wel de jonge prins terug naar de Republiek. Die zomer en de volgende winter voerde hij twee weinig succesvolle campagnes tegen de Duinkerkers. Toen hij in 1642 de Britse koningin Henriëtta Maria van Frankrijk en prinses Maria Henriëtte moest ophalen om ze via Dover in veiligheid te brengen naar de Republiek, werd Tromp tot zijn verrassing door Karel I van Engeland geridderd. Dat jaar ging de strijd tegen de Duinkerkers verder, zonder veel resultaat. Na een eerste door storm mislukte poging in januari 1643 convoyeerde Tromp in maart op de Prinses Maria de Engelse koningin, samen met een vloot wapens en geld voor de Royalisten, van Scheveningen naar Bridlington; het lukte hem een aanval van de Parlementarische vloot af te schrikken.
De Val van Duinkerke

In de jaren na 1639 was de schade die de Duinkerker kapers aan de Nederlandse scheepvaart toebrachten alleen maar groter geworden, een gevolg van het feit dat hun zeemacht uitgegroeid was tot een sterkte van boven de honderd schepen. Na weer een vruchteloze campagne in 1643 waarschuwde Tromp de Staten-Generaal dat nu eindelijk actie moest worden ondernomen anders zou het verlies van de gantsche see en diengevolgende de ruyne van het Landt dreigen; hij klaagde ook over de geringe respons die zijn eerdere waarschuwingen hadden opgeleverd: Ick met mijn hooft als tegen de muer loope. Inderdaad nam men nu maatregelen — maar die bestonden niet uit het versterken van de vloot.

In 1644 sloten de Staten-Generaal een verdrag met Frankrijk: de Republiek zou een Frans leger bekostigen dat Duinkerke zou innemen. Dit zou echter zeer geleidelijk gebeuren; dat jaar belegerde men eerst het zuidelijker gelegen havenstadje Grevelingen. Commandeur Joost Banckert blokkeerde die plaats van de zeezijde; Tromp, van een ernstige ziekte herstellende, nam op land de contacten met de Fransen voor zijn rekening; om op krachten te komen mocht hij 's winters thuis blijven, waar hij weer ruzie kreeg met Filips van Dorp in diens functie van admiraliteitsraad.

Het jaar 1645 verliep eender, zij het dat nu Fort Mardijk veroverd werd — en weer heroverd door de Spanjaarden. In 1646 kwam de Franse aanval langzaam op gang en Tromp ging op "kruistocht" op de Noordzee. Opnieuw leverde dat kruisen weinig op, maar nu omdat de Duinkerkers te veel verzwakt waren; reders waren niet meer bereid om in kaperschepen te investeren, nu de val van de stad aanstaande was. In september hervatte Tromp de blokkade, terwijl de Fransen, na opnieuw Mardijk genomen te hebben, de belegering van Duinkerke zelf waren begonnen. Een dertigtal Duinkerkers probeerde nog vergeefs uit te breken; in oktober gaf de stad zich over. Een strijd van 63 jaar tegen de Duinkerker kapers, de hoofdtaak van de Nederlandse marine, was voorlopig in het voordeel van de Republiek beslist. De Franse bevelhebber, Lodewijk II van Bourbon-Condé, hertog van Enghien, gaf Tromp als aandenken een juweel ter waarde van 24.000 gulden, wat weer felle reacties van Witte de With opriep. De Admiraliteit van Amsterdam schonk Tromp in 1647 een grote zilveren lampetkan met schotel, nu een pronkstuk van het Rijksmuseum Amsterdam.
Het vlootbeleid

Nu de oude vijand verdwenen was, rees de vraag wat de taak en omvang van de Nederlandse marine moest zijn. Spanje was geen factor van belang meer: Engeland en Frankrijk waren verzwakt door respectievelijk een aflopende en een beginnende burgeroorlog; men meende dus al eind 1646 de grote schepen te kunnen opleggen, oude kleinere schepen af te danken en slechts 37 fregatten actief te houden voor de konvooivaart. Toen de Brederode in 1647 met Witte de With op expeditie naar Nederlands-Brazilië ging en voor de versleten Aemilia ondanks Tromps krachtig aandringen geen vervanger gebouwd werd, moest hij het met de Prinsesse Royaal Maria van 32 kanons als vlaggenschip doen. Tromp raakte hierdoor zo gedemotiveerd dat hij in de herfst van 1647 weer een betrekking aan wal probeerde te krijgen, als bestuurder in Brielle; alleen doordat een ander aangenomen werd, verliet hij de marine niet voor de vierde maal.

In januari 1648 gaf Tromp aan de Staten-Generaal zijn mening over de minimale omvang die de Nederlandse vloot moest hebben om haar taken te vervullen: Zestig schepen waren nodig, waaronder een permanent kruiseskader van 24. De rest moest men verkopen maar ook zou men per jaar de vloot met vijf nieuwe oorlogsbodems moeten vernieuwen, te beginnen met een nieuw groot vlaggenschip voor Tromp zelf. In juli werd tot een program besloten dat vrij nauw bij Tromps plannen aansloot, zij het dat er maar twee schepen per jaar zouden worden gebouwd.

In oktober 1648 kwam aan de Tachtigjarige Oorlog helemaal een einde met de Vrede van Münster; de vredessituatie leidde ertoe dat van de nieuwbouwplannen niets terechtkwam; ook Tromps nieuwe schip werd niet gebouwd. In 1649 en 1650 bleef de admiraal aan wal. In die jaren was er een groot conflict tussen de nieuwe stadhouder Willem II en sommige leidende regenten. Hoewel prinsgezind schijnt Tromp zich daar zo veel mogelijk buiten gehouden te hebben; Willems poging Amsterdam met een leger te bezetten en de arrestatie van diens tegenstanders ging de admiraal veel te ver. Toen de stadhouder in november 1650 plotseling stierf en het Eerste Stadhouderloze Tijdperk aanbrak, was er dan ook geen reden voor de staatse partij Tromp uit zijn positie te verwijderen. Wel had men nu problemen met zijn rang van luitenant-admiraal; die impliceerde immers dat er een admiraal-generaal zou zijn waarvan Tromp de luitenant (letterlijk "plaatsvervanger") was. Op 20 maart 1651 kreeg hij van de Staten van Holland te horen dat hij zich voortaan als "gewezen luitenant-admiraal" moest betitelen, in de functie van commandeur. Toen Tromp echter antwoordde daartoe gheheel onlustigh te zijn, liet men het er maar bij; de volgende dag moest de admiraal namelijk met de Brederode op expeditie.

De stadhouder had het leger in de oude sterkte willen handhaven; nu kregen de handelsbelangen van Amsterdam en daarmee de veiligheid op zee meer aandacht. Tromp kruiste tussen maart en juni 1651 bij een Engelse royalistische kaperbasis op de Scilly-eilanden. Toen bleek dat de kapers zich bij het Engelse Gemenebest hadden aangesloten, keerde Tromp onverrichter zake terug. Die herfst zou hij met een eskader naar de Middellandse Zee gaan, maar op de schepen brak difterie uit; ook Tromp moest doodziek de wal opzoeken. Nauwelijks wilde hij na zijn herstel in februari 1652 alsnog scheep gaan, toen hij naar de Staten-Generaal werd ontboden voor een geheel nieuwe opdracht.

Eerste Engels-Nederlandse Oorlog
De overwinning van de parlementariërs in de Engelse Burgeroorlog betekende dat de confrontatie tussen de twee handelsrivalen, die door het verslaan van de oude gemeenschappelijke Spaanse vijand vrijwel onvermijdelijk geworden was, niet langer uitgesteld zou worden. De Commonwealth of England had in de laatste jaren een krachtige vloot opgebouwd en durfde vol zelfvertrouwen de Republiek uit te dagen, met wie men nog een appeltje te schillen had wegens de steun van de stadhouders aan Karel I. De dood van Willem II leek toch nog de basis te kunnen vormen voor een nauwe samenwerking onder Engelse leiding, maar toen de delegatie die dit kwam bepleiten door orangistische opstootjes Den Haag weer uitgejaagd werd, kregen de langdurig opgekropte frustraties dat de vroegere bondgenoot in macht en rijkdom Engeland voorbijgestreefd was in het Engelse Parlement de overhand. Het nam de Akte van Navigatie aan die de Nederlandse handel naar Engeland beperkte en, veel ernstiger, een mooi voorwendsel vormde om Nederlandse schepen in beslag te nemen. Piraterij was voor de Britse eilanden altijd al een bloeiende bedrijfstak geweest en nu stortte men zich vol overgave op de Nederlandse scheepvaart.

Ondanks Tromps waarschuwingen had de Republiek het uitstel niet gebruikt voor het versterken van de vloot. Zelfs nu begon men niet met een scheepsbouwprogramma; men besloot snel 150 koopvaarders als oorlogsbodem uit te rusten door het inbouwen van wat extra geschut. Deze schepen waren bedoeld voor de konvooivaart maar in Engeland werd de maatregel gezien als een voorbereiding voor volle oorlog en de spanningen tussen de twee landen liepen snel op.

Op 15 maart 1652 deed Tromp het Haags Besogne, de speciale marinecommissie, een voorstel over de te volgen strategie, de: Consideratiën ingestelt op de jegenwoordige occasie ter zee. Hierin bepleitte hij de onmiddellijke concentratie van de belangrijkste schepen in een slagvloot die de Engelse vloot moest schaduwen. De Staten-Generaal vonden dit echter te provocerend; toen ze iets later toch akkoord gingen, moest Tromp in april eerst een inspectiereis maken langs de admiraliteiten om die tot groter activiteit aan te sporen. Bij terugkeer merkte hij dat veel van de beste schepen niet naar zijn slagvloot gestuurd maar ter convoyering vertrokken waren. Tromp kreeg nu opdracht om al patrouillerend met een eskader langs de zuidoostelijke kust van de Noordzee de scheepvaart te beschermen. Tegen zijn zin kreeg hij instructie een gewapende confrontatie tot het uiterste te vermijden. Wel mocht hij naar eigen goeddunken handelen inzake van de heikele kwestie of men Engelse schepen wel of niet als eerste zou groeten door de vlag te strijken, een oud recht dat de Britten nu streng wilden afdwingen, ook wanneer het traditioneel niet werd toegepast, zoals bij een zwakker Brits schip of buiten Het Kanaal. Tromp gaf al voor vertrek aan in dat soort gevallen niet de eerst groetende te zullen zijn.

Op 14 mei koos Tromp zee. Op 26 mei 1652 ontmoetten zijn 42 schepen Nehemiah Bournes eskader zonder dat het tot een incident kwam. Op 29 mei hoorde hij echter dat Engelse schepen Nederlandse konvooiers met schoten intimideerden om als eerste te groeten en dat enkele koopvaarders terecht waren gekomen in een eskader van General at Sea Robert Blake. Tromp voer hierop recht op Blakes vlaggenschip af om te onderzoeken of de schepen genomen waren en ze desnoods terug te eisen. Bij deze missie paste het niet te onderdanig te doen en hij liet slechts zijn wimpel zakken. Blake liet hierop, zoals gebruikelijk, één geschut met scherp schieten om Tromp te bewegen zijn vlag te strijken. Een kogel trof een Nederlandse stuurman; Tromp gaf nu zelf een waarschuwingsschot voor de boeg en Blake antwoordde met de volle laag. De daarop volgende Slag bij Dover was eigenlijk niet meer dan een schermutseling, maar vormde de ideale aanleiding voor het Engelse Parlement om in juli de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog te verklaren. Dit zou de beroemdste gebeurtenis uit Tromps leven worden, maar ondanks de grote aandacht die historici eraan hebben geschonken, zijn Tromps motieven nog steeds onzeker. Britse schrijvers, die vaak nog Blakes versie volgen dat Tromp als eerste een breedzijde gaf, hebben gesuggereerd dat de admiraal uit politieke, Orangistische, motieven, opzettelijk een oorlog zou hebben uitgelokt. Een diepgaand onderzoek van de Staten-Generaal had als uitkomst dat in ieder geval de Engelsen met de werkelijke gevechtshandelingen zijn begonnen. In juli kon Tromp dan eindelijk een volle slagvloot verzamelen van zo'n tachtig schepen. De kwaliteit daarvan was echter zo slecht, dat hij, ondanks instructies meteen de strijd aan te binden, besloot een afwachtende houding aan te nemen. Zo liet hij Blakes vloot ongehinderd naar het noorden vertrekken. Toen die de Nederlandse haringvloot als doel bleek te hebben, moest Tromp, na een mislukte poging een zwak dekkingseskader van George Ayscue bij de Downs te vernietigen, alsnog Blake achterna. Op 4 augustus werd zijn vloot echter ten noorden van de Shetlandeilanden door een storm uit elkaar geslagen, waardoor elf schepen vergingen en men al blij was zonder een verdere confrontatie de veilige havens weer te bereiken. De teleurstelling hierover was zeer groot, zowel bij de Staten-Generaal, waarin de Amsterdamse factie aandrong op verwijdering van de oranjegezinde admiraal, maar nog sterker bij het gewone volk, dat woedend was dat hun kampioen zijn reputatie niet waar had kunnen maken.

Op 20 augustus moest Tromp hierom de functie van bevelhebber afstaan aan zijn meer staatsgezinde rivaal viceadmiraal Witte de With; Tromp moest aan wal blijven, zogenaamd in een adviesfunctie. Toen echter De With met zijn vlaggenschip de Prins Willem op 8 en 9 oktober verslagen werd in de Slag bij de Hoofden, werd Tromp weer benoemd, eerst eind 1652 als waarnemend bevelhebber, vanaf mei 1653 als officiële opvolger van De With. Zijn grootste overwinning was de Slag bij de Singels (de Battle of Dungeness) op 9 december waarna hij volgens een Engelse legende een bezem in zijn mast zou hebben gevoerd als teken dat hij de zee van vijanden had schoongeveegd.

Tijdens de Driedaagse Zeeslag werd Tromp echter weer verslagen en opnieuw in de Zeeslag bij Nieuwpoort. De Britten begonnen een blokkade van de Nederlandse kust. Bij een geslaagde poging die te breken, de Slag bij Ter Heijde, werd Tromp op de Brederode door een Engelse scherpschutter vanaf het schip van admiraal William Penn (de vader van William Penn), dodelijk in de linkerborst getroffen. Zijn laatste woorden zouden zijn geweest: "Ik heb gedaan, houdt goeden moed"; maar volgens ooggetuigen was hij op slag dood. Zijn vlaggenkapitein Egbert Bartolomeusz Kortenaer deed net of Tromp nog leefde en nam het feitelijk bevel over zijn eskader over, zodat wel gezegd wordt dat Tromp in leven en dood nooit zijn vlag voor de Britten heeft moeten strijken, hoewel dit feitelijk onjuist is. Midden in de slag zagen de andere admiraals tot hun verbazing dat het sein tot beraad werd gehesen; de enige die de Brederode wist te bereiken was Michiel de Ruyter. Toen die Tromp dood in zijn kajuit zag zitten, barstte hij in huilen uit en riep: "Mocht het God behaagd hebben mijn leven te nemen in plaats van het zijne!"

Bestevaêr
Het lijk werd in een koets vanaf Den Helder over het strand naar Den Haag gereden en is op 5 september met een schuit naar Delft vervoerd om daar te worden begraven in de Oude Kerk. Johan de Witt hield een lijkrede, met de volgende bekende uitspraak:

Een zeeheldt, welckers gelycke de aerde niet veel heeft gedragen ende mogelyck niet lichtelyck in 't toekomende sal syn te vinden

Opmerkelijk is dat Tromp op de steen op het graf in de Sint Laurenskerk in Rotterdam, waarin zijn twee eerste vrouwen begraven liggen "Maerten Harpertsz van der Tromp" en de tweede keer "Kapitein M.H. van Tromp" wordt genoemd. Al tijdens zijn leven kreeg Tromp, net als later Michiel de Ruyter, van zijn bemanningen de koosnaam Bestevaêr. Tromp was drie keer gehuwd en had twaalf kinderen. Een van zijn zonen, Cornelis, werd ook luitenant-admiraal bij de Nederlandse vloot.

In 1845 werd een marmeren portretbuste van Tromp (een werk van Mathieu Kessels) opgenomen in het Walhalla nabij Regensburg.

In de Oude Kerk in Delft bevindt zich zijn grafmonument "een wit marmeren, 700 kilo wegende sculptuur van Rombout Verhulst". 
Tromp, Maarten (I282809)
 
374453 Wikipedia:

Nowee werd in 1901 in Arnhem geboren als zoon van de winkelier Jacobus Nowee en Jacoba Carolina Borsten. Nowee was onderwijzer en hoofd van een school. Hij schreef diverse kinderboeken, die vanaf 1926 werden uitgegeven door Spaarnestad. In dat jaar publiceerde hij "Lotgevallen van een straatjongen". Ook schreef hij educatieve boeken - onder andere onder de titel Gouderts - voor het lager onderwijs. Het meest bekend werd Nowee echter door de serie jeugdboeken over de figuren Arendsoog en Witte Veder. Hij begon met deze serie in 1935 toen hij ontdekte dat er behoefte bestond aan avontuurlijke boeken over het zogenaamde "Wilde Westen". Van deze serie verschenen tot zijn overlijden in 1958 19 delen. Deze jeugdserie werd uitgegeven door Malmberg, die ook ander werk van Nowee uitgaf. De boeken in de serie Arendsoog zijn in meerdere talen vertaald. Nowee voegde daarnaast ook andere kinder- en jeugdboeken aan zijn werk toe.

Nowee trouwde op 1 juni 1927 te Den Haag met Alida Maria van der Lem. Uit hun huwelijk werden veertien kinderen geboren, zeven jongens en zeven meisjes. Hij overleed in oktober 1958 op 57-jarige leeftijd in zijn woonplaats Den Haag, waar hij ligt begraven op Sint Petrus Banden. Hij was toen hoofd van de Sint-Paulusschool in Den Haag. Nowee was onderscheiden met het erekruis Pro Ecclesia et Pontifice. Zijn zoon Paul maakte het door zijn vader begonnen 20e deel in de serie Arendsoog af en voegde vervolgens nog zelf 43 delen aan deze serie toe. 
Nowee, Johannes (I301216)
 
374454 Wikipedia:

Pieter van Reede van Oudtshoorn (Utrecht, 8 juli 1714 – Op zee, 23 januari 1773), heer van Oudshoorn, Ridderbuurt en Gnephoek, was een hoge ambtenaar (independent fiscaal en opperkoopman) in de Nederlandse Kaapkolonie en werd in 1772 benoemd tot gouverneur van de Nederlandse Kaapkolonie. Hij stierf echter op zee, op zijn reis van Nederland naar de Kaap.

De Zuid-Afrikaanse stad Oudtshoorn is naar hem vernoemd. 
van Reede van Oudtshoorn, Pieter (I291475)
 
374455 Wilde op 15-jarige niet meeverhuizen met haar ouders vanaf Texel en is daar (dus) blijven wonen.

Zij is in 2009 chef kok in het restaurant Het Vierspan, Gravenstraat 3 in Den Burg op Texel en getrouwd met de eigenaar van dat restaurant Eric Pekel.

Restaurant Het Vierspan
Gravenstraat 3
1791 CJ Den Burg-Texel
0222 313176



Na een verbouwing van twee weken heeft restaurant het Vierspan in Den Burg vrijdag zijn deuren weer geopend. Het bedrijf, dat zo’n anderhalf jaar geleden door Eric Pekel en Tessa van der Meent is overgenomen, is totaal veranderd. Het restaurant aan de Gravenstraat kreeg een eigentijdse en hippe uitstraling. Een houten wand scheidt het restaurant van een ‘lounge’ wijnbar, waar 15 soorten wijn (ook per glas) gedronken kunnen worden. Tevens kunnen hier kleinere gerechten, passend bij de wijnen, besteld worden. De gerechten in het restaurant zijn volgens Eric Pekel ook eigentijdser, ‘maar zeker van dezelfde kwaliteit’. Bij de bereiding van gerechten en menu’s wordt veel met lokale producten gewerkt. In samenwerking met ‘Oesterman’ Martin Zeeman, worden dit jaar diverse themaavonden in Het Vierspan georganiseerd. Naast ‘oesteravonden’ komen er bijvoorbeeld ook sushiworkshops. Van deze thema-avonden verwacht Pekel veel… 
van de Meent, Tessa Frederiek (I723)
 
374456 Wilhelmina Gasthuis ten Hallers, Johanna Geziena (I183223)
 
374457 Wilhelmina had een enorm gevoel voor humor. Ze lachte heel veel. Zelfs hier tijdens een van de laatste foto's die van haar genomen is, op haar sterfbed, heeft ze een lag op haar gezicht. (info kleindochter, mevr. G. Bakker-Klaassen) van de Meent, Wilhelmina (I66876)
 
374458 Wilhelmina is een buitenechtelijk kind.
Als vader wordt vermeld Joannes Tessen. 
Beul, Wilhelmina (I45663)
 
374459 Wilhelmus Dresen pro quo Theodorus van Horn et Beatrix van der Velden van der Velden, Theodorus (I143346)
 
374460 Will: 11 May 1586 Sopley, Hampshire, England Dene, Richard (I4199)
 
374461 Willem Bakker staat vermeld in het boerderijboek van Texel (Blz 1055 en 1056 (HNd 30) Herenstraat 23 (71) Sectie P511). Bakker, Willem (I80435)
 
374462 Willem Beijer wordt genoemd in de lijst met gedupeerden van de veepest (zie Old Ni-js nummer 16 van de Heemkundekring Bergh).
Ook met de grote overstroming in 1784 lijdt hij schade: hooi, stro en aardappelen, somma 98:5:8 
Beijer, Wilhelmus (I35013)
 
374463 Willem Bonda (1825-1864), van beroep schilder en kruidenier, trouwde op 16 juli 1846 met Risje Sopjes, 23 jaar oud en dochter van de onderwijzer op Kaageiland. Zij kregen zeven kinderen. De jongste, Johannes, werd in 1861 geboren. Vanuit zijn werkzaamheden als kruidenier ging Willem zich ook met de sector 'veevoeders' bezighouden. Bonda, Willem (I197040)
 
374464 Willem Christiaan Groenevelt (Alkmaar, 20 september 1830 – Leiden, 14 november 1873) was van 1854 tot 1868 predikant te Dordrecht, Noorden en Monnikendam.

Personalia
Zijn jeugd bracht hij door in Alkmaar, waar hij ook het gymnasium volgde. Uit twee prijsboeken blijkt dat hij een goede leerling was en zijn oom Barend heeft deze intelligente jongen financieel ondersteund in zijn ontwikkeling. Na de voltooiïng van het gymnasium is hij in 1848 in Utrecht gaan studeren en daar lid van het corps geworden. Vermoedelijk tijdens zijn studie heeft hij zijn latere vrouw Sara Bolk, dochter van een bemiddelde Utrechtse koopman leren kennen. Met haar is hij op 20 maart 1856 in Utrecht getrouwd en uit dit huwelijk zijn een zoon en dochter geboren. Nadat hij als predikant ontslag had genomen, ging hij in 1868 in Leiden studeren, maar werd geveld door een slopende ziekte, waardoor hij tenslotte “na zwaar lijden” overleed.

Bedieningen
Op 4 mei 1854 werd hij tot de evangeliebediening toegelaten en zijn loopbaan als predikant begon hij als hulpprediker in Dordrecht in de jaren 1854 en 1855. Vervolgens was hij predikant in Noorden (gemeente Nieuwkoop) van 6 april 1856 tot december 1858. Op 2 januari 1859 deed hij zijn intrede in Monnikendam en wegens richtingverschil met zijn gemeente legde hij op 5 april 1868 zijn ambt neer.

Betekenis
Groenevelt was een moderne predikant die de theologische inzichten door popularisering van de theologie aan een breder publiek. wilde bekendmaken. Hij behoorde tot de richting van het christelijke humanisme die de mensheid wilde opvoeden naar het beeld van Jezus. Opvoeding in het geloof was voor hem een belangrijk middel tot beschaving. Zo schreef hij een boekje voor de godsdienstles in 1864: Bijbelsch onderwijs voor meer gevorderden (Purmerend, 1864), dat zelfs in het Frans vertaald werd als Cours d’instruction biblique à l’usage des élèves plus avancés. Zijn afkeer van de rechtlijnigheid van de orthodoxe geloofsgemeente in Monnikendam deed hem vier jaar later besluiten met de in Alkmaar uitgegeven afscheidspreek: God is Liefde. Afscheidswoord tot de hervormde gemeente te Monnikendam op 5 april 1868 het ambt neer te leggen. Hij weigerde resoluut een prediker te zijn “die de echo was van de opvattingen van zijn gemeente”

In 1870 verscheen van zijn hand "Opvoeding tot godsdienst" in: De nieuwe richting in het leven 3 (1870), 254-256. Hierin vertolkte hij zijn opvatting dat de godsdienstige opvoeding met name een taak was van de moeder. Ruim vier maanden voor zijn dood schreef hij nog in zijn laatste briefje aan zijn niet zo sterke vrouw (die hem slechts drie jaar overleefde) God te zoeken en hem beter te leren kennen en de opvoeding van hun kinderen aan trouwe, godsdienstige en bekwame mensen toe te vertrouwen.

Zeer toepasselijk stelt zijn latere biograaf dan ook dat hij “de moed zijner overtuiging bezat en wiens kunde, oprechtheid en heilige ernst in de vervulling van zijn ambt zelfs door tegenstanders geroemd worden”. 
Groenevelt, Willem Christiaan (I165496)
 
374465 Willem Cornelis Kesting en zijn vrouw Willemina Kesting zijn familie van elkaar. Hun gezamelijke voorvader is ene Johann Conrad geh. in 1791 te Delft.

Zij krijgen samen 17 kinderen, waarvan er 2 in leven zijn gebleven. 
Kesting, Willem Cornelis (I5319)
 
374466 Willem Credo was kaperkapitein. In zijn tijd werd zijn naam internationaal met ontzag uitgesproken. Hij voer op de schepen "De Kleine Paarl" en "De Grote Paarl".
De harde, maar sluwe kapitein die naast Zeeuws ook wat Frans, Italiaans en Engels sprak, was even beroemd als berucht. Tussen 1688 en 1713 wist hij meer dan 200 prijzen buit te maken. Deze hadden samen een waarde van meer dan 3 miljoen gulden.
Koning Lodewijk XIV van Frankrijk zond een speciaal eskader onder bevel van kapitein L’Aigle de zee op om hem op te sporen. L’Aigle en Credo kwamen elkaar inderdaad tegen. Uit wederzijds respect vielen ze elkaar echter niet aan, zo gaat het verhaal. Terwijl Credo met zijn schip de Peerl voorbij zeilde, bracht hij vanuit zijn kajuit een toost uit op zijn vijand: ‘Monsieur L’Aigle! A Vostre Santé!’

De bemanning op de kaperschepen ging vaak wat losser om met de regels. Losser in elk geval dan bijvoorbeeld bij de koopvaardij of marine het geval was. Zo wist Willem Credo in 1695 op de rede bij Veere ternauwernood een muiterij te bedwingen door met handgranaten te dreigen. Hij moest de waterschout en diens helpers vragen de muiters te arresteren.

Over hem is door zijn schoonzoon, Gerard Bacot, een boek geschreven:
Zeeusche spectator over de boedel en het testament van capitein Willem Credo, onder toezicht van Gerard Bacot, predikant te Koudekerk, en syn vrou Paulina Credo, nevens een journaal of dag-lyst van een bedroefde reis naa het vermakelyk Alphen. Tot waarschouwing van jonge predikanten om niet ligt voogdyen aan te nemen. Den 30 April 1734, Z. pl.



Uit: De Viersprong, 24e jaargang nr. 91, mei 2007

De geschiedenis van het Schoutenhuis en zijn omgeveing
door H. J. Habermehl

In 1706 was het perceel ten noorden van het Schoutenhuis in handen van Quirina Claesdr. Schraal, weduwe var Adriaan Janszn. Stortenbeker.
In 1714 trouwde Willem Credo met Crijntje (eertijds Quirina) Claesdr. Schraal, weduwe van Stortenbeker en Swanenbeek. Credo kocht toen het naastgelegen pand, het Schoutenhuis, voor zijn vrouw voor de som van ƒ 1.900. Hij was een notabele en welgestelde inwoner van Alphen. In 1725 zou tsaar Peter de Grote hem hier bezocht hebben om hem over te halen admiraal van de Russische vloot te worden. Credo was afkomstig uit Veere en jarenlang een succesvol kaper-kapitein en slavenhandelaar geweest. Over dat laatste deed de volgende anekdote de ronde: Credo had een mooi horloge dat bij een verkoping na zijn dood ƒ 28 opbracht. Hij had dat zelf verkregen van een Engelse zeekapitein door ruiling tegen een 'jonge frisse en schone slavin, uit een hoop andere medeslavinnen gekozen'. 'Kennelijk had Credo dus nogal wat keus', concludeerde Van Zeijl. Op 7 juli 1722 verscheen Willem Credo voor de schout, Adriaen Rosenboom, om het zuidelijk deel van zijn huis in levenslange bruikleen af te staan aan Marie Andriesse. Er werd vastgelegd dat het raam in de oostelijke muur nooit mocht worden dichtgetimmerd of door bomen dicht geplant. De scheidsmuur in het huis moest eensteens zijn en op de zolder moesten planken komen ter dikte van een duim. In 1726 overleed Maria, dan wel was zij naar elders vertrokken, en Jacoba Groenheijde, ongetrouwd, kreeg het recht om levenslang in het zuidelijke deel van het huis te wonen. Eind 1731 zag zij wegens haar lichamelijke gesteldheid af van dit recht. Zij vertrok naar Schiedam.
Willem Credo overleed in 1733 en zijn kinderen lieten het huis veilen voor ƒ 5.012. Uit deze waardevermeerdering blijkt dat waarschijnlijk door toedoen van Credo een vergroting en herbouw van het pand hadden plaatsgehad. 
Credo, Willem (I268650)
 
374467 Willem en Gerrigje waren neef en nicht. Gezin: Willem Griffioen / Gerrigje Christoffer (F1358963660)
 
374468 WILLEM EN MAARTJE HONIGH-BREET

De jongste dochter van Jacob en Grietje Breet-de Jager was Maartje Jacobsd. Breet. Maartje werd te Zaandijk geboren op 5 september 1807. Zij huwde op 16 september 1832 de oliefabrikant Willem Adrianus Honigh (1809-1871), koopman en oliefabrikant te Zaandijk met de molens de Roggebloem, de Ezel en De Vlijt. Het echtpaar kreeg maar liefst zeven kinderen: Geertje (*1833), Grietje (* 1935), Trijntje (* 1938), Aagje (* 1840), Maartje (* 1842), Jacob (* 1844) en Wilhelmina (* 1850). Het gezin woonde sedert 1866 in het ’Groote Huis’ aan de Lagedijk 146. Dit pand werd gebouwd in 1831 voor de Zaandijker verfmaler Cornelis Kuyper. In het archief van de Stichting Familie archief Honig zijn portretfoto’s bewaard gebleven van het echtpaar Honigh-Breet. Daarnaast is er een boedelbeschrijving bekend, die is opgemaakt bij het overlijden van Maartje op 5 maart 1885. Maartje en haar man liggen begraven op de Zaandijker begraafplaats onder zerk nummer 44.
Twee dochters van Maartje en Willem Honigh trouwden met een Honig. Te weten: Trijntje Willems Honigh (1838-1911), gehuwd met de olieslager Hendrik Klaasz. Honig (1840-1891),
en Aagje Willems Honigh (1840-1901), die huwde met Jan Cornelisz. Honig (1840-1925), papierfabrikant met molen ’Het Fortuin’. Uit dit huwelijk werd dochtertje Maartje Jans Honig
(1865-1944) geboren, de latere echtgenote van Teunis Crok Jansz. (1866-1922). 
Breet, Maartje (I68987)
 
374469 WILLEM FRANS VAN SCHELVEN, 25 jaar, huisschilder,geboren Zierikzee, wonende Rotterdam, zoon van Cornelis van Schelven, wonende Rotterdam en Jacomina van Setten, overleden, huwt PETRONELLA CHARLOTTA BOGAARD, 21 jaar, zonder beroep, geboren en wonende Rotterdam, dochter van Pieter Christiaan Bogaard, overleden en Cornelia Roels, zonder beroep - 27.09.1899 - acte 1759 (BS Rotterdam) Gezin: Willem Frans van Schelven / Petronella Charlotta Bogaard (F10385)
 
374470 Willem Gerritsen heeft in 1812 te Bennekom formeel de naam Van Roekel aangenomen (akte 124). van Roekel, Willem (I4961)
 
374471 Willem Gijsbert van de Fliert werd geboren op 11 maart 1893. Hij woonde aan de Barneveldsestraat te Renswoude. Hij had in de gemeenteraad gezeten, maar ook in het schoolbestuur van de Christelijke school. Naast zijn boerderij had hij een kuikensbroeierij. In het najaar van 1944 werd hij verraden, omdat hij een radio in huis had en omdat in één van zijn kippenhokken onderduikers verbleven. Van de Fliert werd op transport gesteld naar een interneringskamp in Duitsland. Nadat de Amerikanen dit kamp hadden bevrijd, kwam Van de Fliert ziek en uitgeput aan in Boras (Zweden), waar hij nog tot 20 juli 1945 heeft geleefd.

Hij wordt vermeld op het verzetsmonument te Renswoude (op de rotonde van de Dorpstraat en de Barneveldsestraat). 
van de Fliert, Willem Gijsbert (I111363)
 
374472 Willem had een bijzondere hobby: hij beoefende de figuurknipkunst. Tijdens een veiling in 1995 kon het Stedelijk Museum De Lakenhal een album met zijn oeuvre verwerven. Het was tot dan toe in familiebezit gebleven. Eigeman, Willem (I199700)
 
374473 Willem had land aan de Dijkgraaf te Bennekom van Campen, Willem (I16182)
 
374474 Willem I (ca. 1175 - 4 februari 1222) was graaf van Holland.

Jeugd
Willem I was de tweede zoon van graaf Floris III en Ada van Schotland en hij bracht zijn jeugd door bij de familie van zijn moeder in Schotland. In 1189 begeleidde Willem zijn vader bij de Derde Kruistocht. Zijn vader overleed in 1190 tijdens de kruistocht en zelf werd Willem tijdens zijn terugtocht in Frankrijk gevangengenomen. Hij keerde in 1191 in Holland terug en raakte in onmin met zijn oudere broer Dirk VII die zijn vader Floris III als graaf van Holland was opgevolgd. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen. Omdat Dirk op dat moment niet weg kon uit Zeeland stuurde hij zijn vrouw Aleid met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het tot een treffen tussen Aleid en haar zwager Willem. Aleid wist het treffen naar haar hand te zetten door de leiders van Niedorp en Winkel om te kopen. Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland.

Graaf van Friesland
Hendrik de Kraan, heer van Kuinre, hield plundertochten in Midden-Friesland. Willem nam wraak en vernietigde de Kuinderburcht. Hendrik was leenman van Dirk van Holland, bisschop van Utrecht en oom van Willem en Dirk VII. Dirk VII koos in dit conflict de kant van zijn oom en liet Willem door Hendrik van Kuinre gevangennemen.

Willem ontsnapte echter en vluchtte naar Otto I van Gelre, een tegenstander van Dirk VII. In 1197 trouwde Willem te Stavoren met Aleid van Gelre, de dochter van zijn gastheer.

Strijd om Holland
Dirk VII overleed in 1203. Zijn dochter Ada was zijn enige erfgenaam. Zijn weduwe Aleid liet haar onmiddellijk trouwen met Lodewijk II van Loon. Willem maakte ook aanspraken op de opvolging in Holland en zo ontstond de Loonse oorlog. In het begin had Willem de overhand en wist hij Ada gevangen te nemen en Lodewijk en Aleid te verjagen uit Holland. Hij zond Ada naar koning Jan zonder Land van Engeland, ter bewaring.

Lodewijk vormde in 1204 een sterk bondgenootschap met de bisschoppen van Utrecht en Luik, en de graven van Vlaanderen, Namen, Ahr en Berg. Met deze steun kon Lodewijk bijna het gehele graafschap Holland terug veroveren. Maar het lukte Lodewijk niet om zijn bondgenoten te behouden en in 1205 en 1206 kon Willem stukje bij beetje zijn verloren gebieden weer terugwinnen. In 1206 werd een vrede gesloten waarbij Holland werd verdeeld: Willem kreeg Zeeland en het zuidelijke deel van Holland (met name de Groote of Hollandsche Waard), en Lodewijk kreeg het noordelijk deel Holland - de rivier de Maas vormde vermoedelijk de grens. In de praktijk kreeg Willem het snel voor het zeggen in het hele graafschap Holland en heeft Lodewijk geen poging meer ondernomen om hier iets aan te veranderen. In 1213 erkende keizer Otto IV van Brunswijk Willem als graaf van geheel Holland.
Holland, Penning, geslagen door Willem I als Graaf van Holland tussen 1212-1222.

Graaf van Holland
Het bestuur van Willem is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van Holland. Onder zijn bewind begon de systematische aanleg van dijken (o.a. rond de Grote Waard) en werd het Spaarne afgedamd. Dit ging gepaard met een mate van organisatie die als voorloper van de Waterschappen kan worden beschouwd. Ook gaf Willem stadsrechten aan Geertruidenberg (1213), Middelburg (1217), Dordrecht (1220) en mogelijk aan Leiden.

In 1214 vocht Willem met Otto IV mee in de slag bij Bouvines. Na deze mislukte onderneming gaf hij zijn steun aan Frederik II van Hohenstaufen. In 1216 nam Willem deel aan de expeditie van Lodewijk VIII van Frankrijk naar Engeland. In reactie daarop erkende de Engelse koning Jan Lodewijk van Loon weer als graaf van Holland, en het lukte Jan zelfs om Willem te laten excommuniceren.

Vijfde Kruistocht
Om zijn excommunicatie ongedaan te maken nam Willem deel aan de vijfde Kruistocht. Met zijn leger van Friezen, Hollanders en Vlamingen zeilde Willem langs de Europese kust op weg naar het heilige land. Door een storm moesten zijn schepen beschutting zoeken in Portugal. De Portugese koning Alfons II wist de kruisridders over te halen hem te helpen in de strijd tegen de Moorse overheersing in zijn land. Willem I gaf gehoor aan het verzoek en voer op 30 juli 1217 met zijn vloot naar Lissabon. De stad was tachtig jaar eerder tijdens de tweede kruistocht bevrijd, maar de Moren waren nooit helemaal verdreven uit Portugal. Willem hielp de koning bij de verovering van Setúbal (stad) en Alcácer do Sal. Na een zware belegering en met de belofte van Willem I op een vrije aftocht gaven de Moren van Alcácer zich op 21 oktober 1217 over. Eenmaal buiten de vesting stortte het leger van Willem zich op de ongewapende Moren en slachtte ze af. Als dank bood de Portugese koning de kruisridders land aan; vele ridders aanvaardden dit. Willem verloor hierdoor een groot deel van zijn leger en vroeg daarom aan Paus Honorius III om hem te ontheffen van zijn verplichting en hem toe te staan in plaats daarvan de strijd in Portugal voort te zetten, maar de paus weigerde om op dit verzoek in te gaan. Een deel van de vloot ging daarna op weg naar Akko. Willem zelf overwinterde met de rest van de vloot in Portugal en zou later volgen.

In de lente van 1218 kwam Willem met de Friezen, Hollanders en Engelsen aan in Akko, waar de andere kruisridders zich reeds hadden verzameld. Besloten werd om de Noord-Egyptische stad Damiate te veroveren, zodat daarna de rest van het door de Ayyubiden geregeerde rijk kon worden ingenomen. Op 27 mei 1218 kwamen de kruisridders aan bij Damiate, en op 5 november 1219 viel de stad in handen van de kruisvaarders. De Egyptische Sultan al-Kamil stelde daarop voor om Damiate te ruilen voor Jeruzalem. De meeste kruisridders waren ingenomen met dit voorstel, maar de pauselijke afgezant Pelagius weigerde. Niet door onderhandelingen, maar door strijd moest Jeruzalem worden ingenomen. Toen Willem dit hoorde ontstak hij in woede en keerde met zijn leger terug naar huis.

Terug in Holland bleek dat Aleid was overleden. Willem hertrouwde met de weduwe van keizer Otto IV maar overleed korte tijd later. Hij is begraven in de abdij van Rijnsburg.

Huwelijken en kinderen
Willem I huwde in 1197 te Stavoren met Aleid van Gelre, dochter van Otto I van Gelre. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren:
Floris IV, opvolger van zijn vader
Otto, bisschop van Utrecht
Willem, 1238 overleden tijdens een toernooi.
Ada, abdis van Rijnsburg
Ricardis (ovl. 3 januari 1262)

Willem huwde voor een tweede maal met Maria van Brabant. Dit tweede huwelijk is kinderloos gebleven. 
van Holland, Willem (I224144)
 
374475 Willem is geboren in Doesburger Agterveen te Ede. van Vlastuin, Willem (I176454)
 
374476 Willem Jan was gehuwd en had 9 kinderen van Otterlo, Willem Jan (I18015)
 
374477 Willem Jansen heeft als bouwman op ’t Engelsche Hof zijn naam laten veranderen in Willem van het Princenhof (Barneveld 09-10-1812). van het Princenhof, Willem (I176752)
 
374478 Willem Jansen JM soone van JAn Martensen woonagtig op Bontekamp onder Nieuwkerk (?)
en
Evertjen Morren JD dochter van wijlen Mor Timensen woonagtig tot Stroe onder Garderen

ingeschreven den 28 augustus
opgeroepen
1 den 27 augustur
2 den 2 september
3 den 9 september
getrouwt tot Garderen 17 september 
Gezin: Willem / Evertje (F1259821877)
 
374479 Willem Kammeraad kocht in mei 1892 van Johannes Piek 'Villa Nuova' aan de (huidige) Oudshoornseweg. Het complex bestond toen uit de "villa met koetshuis en stalling, tuinmans- en koetsierswoning, oranjerie. volière en kippenhokken'. De oppervlakte van het complex bedroeg 2 hectaren 6 aren en 33 centiaren en de koopsom was 14.000 gulden. Kammeraad bewoonde 'Villa Nuova' niet zelf, maar verhuurde in 1893 de villa aan Jacobus Willem Cornelis Bloem, burgemeester van Oudshoorn.
Na het overlijden van Willem Kameraad in 1894 hertrouwde zijn weduwe Maria Abrahamine van Griethuizen met leendert Swart. Deze verkocht "Villa Nuova" op 2 mei 1903 aan Henri Elbertus Noman, directeur van de Maatschappij 'Plantageweg' in Rotterdam. Daarna ging de villa snel van hand tot hand, van belegger naar belegger. Van 1903 tot 1910 bleef de villa onbewoond. Uiteindelijk werd de villa in 1910 gekocht door de gemeente Oudshoorn, met het idee de villa te gaan gebruiken als raadhuis of om op die plek een nieuw raadhuis te gaan bouwen. Dat is er niet van gekomen (in 1918 werd Oudshoorn met Aarlanderveen en Alphen samengevoegd tot Alphen aan den Rijn.)
Het pand werd in die tijd (vanaf februari 1910) gehuurd en bewoond door kantonrechter Johannes de Bergh. 
Kammeraad, Willem (I118723)
 
374480 Willem kocht op 20 november 1690 een partij veenland in de Vroonlandse polder voor f 400,-, is op 10 juni 1692 samen met Claes Dircxsz Lelieveldt voogd over de onmondige kinderen van Cors Arijensz Keijser en Maritgen Pietersdr Coningsbrugge en is borg met Cornelis Cornelisz Vooght voor Cornelis Aart de Vooght (1698).

Op 29 januari 1697 testeerden Neeltje en Willem een eerste keer te Aarlanderveen. De langstlevende zou erfgenaam zijn. Tot voogden benoemde hij zijn neef Abram Abramse de Roos en zij Jan Cornelisz Lans. Hij tekende met het zetten van zijn volledige naam en zij zette een kruisje. Een tweede keer testeerden zij op 16 juni 1705. Ook nu was de langstlevende erfgenaam. Tot voogden stelden zij Cornelis Cornelisz de Vooght, hun schoonzoon, en Jan Jansz Roosenboom, hun zwager. Zij waren beneden de f 4.000,- gegoed. 
van der Hidde, Neeltje (I199543)
 
374481 Willem komt voor op de kiezerslijst van 1900 van Naaldwijk en kende dus een zeker welstand. Varekamp, Willem (I227772)
 
374482 Willem kreeg zijn jongste kind op 78-jarige leeftijd ! van Schuppen, Willem (I153474)
 
374483 Willem Marinus 't Hart vertrekt in 1887 naar Naaldwijk. Hij gaat in de Molenstraat wonen. Hij komt voor op de kiezerslijst van Naaldwijk 1898/99. Alleen personen met een bepaalde welstand of opleiding hadden stemrecht. 't Hart, Willem Marinus (I223469)
 
374484 Willem Smit & Co's Transformatorenfabr. NV te Nijmegen Braat, Ir. Willem (I50309)
 
374485 Willem Tijssen van Ginkel, jongeman, geboren te Lunteren, wonende te Renswoude,
en Anna Jansen Donkersteeg, weduwe van Gerit Lammertsen Lagerwij, geboren te Ede, wonende te Renswoude 
Gezin: Willem van Ginkel / Annigje Donkersteeg (F1368963318)
 
374486 WILLEM VAN SCHELVEN, 24 jaar, kantoorbediende, geboren en wonende Rotterdam, zoon van Cornelis van Schelven, overleden, en Catharina Kempf, zonder beroep, wonende te Rotterdam, huwt CATHARINA CHARLOTTA RENNER, 24 jaar, zonder beroep, geboren en wonende Rotterdam, dochter van Cornelis Renner, overleden, en Petronella Wielders, zonder beroep, wonende Rotterdam - 04.06.1908 - acte 1324 (B.S.Rotterdam) Gezin: Willem van Schelven / Catharina Charlotta Renner (F10476)
 
374487 Willem Vergunst heeft gewerkt in de pannenbakkerij van Jan Leliveld, gelegen aan de Rijndijk te Valkenburg.

Hij legt op 31 jarige leeftijd op 04-11-1742 een verklaring af dat hij op een dag in augustus aan het slop voor de pannenbakkerij zijn stik zat op te eten (het was schafttijd, 's-morgens omtrent half negen). Hij heeft toen Jan Leliveld zijn zwarte maal- of werkpaard uit de wei tegenover de pannenbakkerij zien halen en hem zien wachten, totdat zijn knecht Barend Kronemaijer (bijgenaamd "de Mol") eraan kwam. En hij heeft hem toen horen roepen: "Mol, waar blijf je soo lang, je weet dat wij nog om de vlonder gaan moeten". Ze zijn toen samen de weg opgegaan naar Valkenburg. Na de schafttijd "wederom aan het werk gaande en als doen besig zijnde esterikken (een soort vloertegel) te vormen" heeft hij na verloop van tijd weer zien terugkomen met de vlonder. Ene Willem Dedel, een jongen van 16 jaar, was daar ook aan het werk en heeft gedurende de schafttijd gezeten in de hoek waar de stromatten staan. Daarna heeft hij Willem Vergunst geholpen de gevormde stenen te drogen en te zetten.
(Bron: Crimineel Dingboek van Katwijk).

Deze verklaring maakt onderdeel uit van een hele geschiedenis, die in het genoemde Dingboek uitvoerig is opgetekend. Het verhaal begint met een verklaring van Willem Dedel op 30-10-1742, waarin hij een eerdere verklaring, die hij tegenover de schepenen van Valkenburg heeft gehouden, herroept. Wat is er namelijk gebeurd? Deze Willem Dedel heeft toen onder druk van Bartel en Goverd van Oosten via omkoperij (voor ƒ 25 en een nieuwe rok) verklaard, dat Jan Leliveld en hij samen het paard van Bartel van Oosten hebben gebruikt om een vlonder over het land te slepen en dat dat paard met de kop tussen de vier poten in een sloot is gevallen en daaraan is doodgegaan. Willem Dedel's moeder, Anna Jacobsdr. de Graaff, heeft hem echter tot berouw gebracht over deze leugens. Daarna staan nog enkele verklaringen opgetekend, waaruit blijkt dat er op de bewuste dag geen paard bij het vlonderslepen in de sloot geraakt kan zijn. Bovendien blijkt Bartel van Oosten al eerder iemand te hebben omgekocht en ook diverse paarden te hebben verloren door verwaarlozing en mishandeling.


Streekarchief Rijnlands Midden:

bron protocollen Zwammerdam 1738-1759
inventarisnummer 28
bladzijde 125v
datum 30-04-1750
inhoud Huijg Vermij, wonend te Reeuwijk, is schuldig aan Willem Vergunst, wonend onder Zevenhuizen, een bedrag van 450 gulden. Gesteld onderpand: 1 morgen 2 hond 23 roeden veenland, belend ten oosten, westen, zuiden en noorden "zelfs"; nog 2 morgen 4 hond 76 roeden veenland, belend ten zuiden de Tempeldijk en ten oosten, westen en noorden "zelfs". Geroijeerd 26-03-1753.
plaatsnaam Zwammerdam 
Vergunst, Willem (I54340)
 
374488 Willem vertrok op 4-8-1873 naar Amerika en komt terecht in Iowa Mahaska Black Oak Rozeboom, Willem (I81928)
 
374489 Willem werd timmerman van beroep, vertrok in 1777 naar Nieuwveen en trouwde daar nog in datzelfde jaar met Trijntje Peron. Zij verhuisden terug naar Oude Wetering. Op 10 juni 1780 kwam het huis van vader Pieter op naam van Willem te staan. Daar kregen Willem en Trijntje vijf kinderen, onder wie zoon Jan. Bonda, Willem (I197048)
 
374490 Willem Willemsen nam in 1826 in de nieuwe gemeente Ede de naam "van de Sandschulp" aan. [Bron: akte 541 aangenomen geslachtsnamen] van de Zandschulp, Willem (I177037)
 
374491 Willem wonende in de Soederwijck en Hendersken in de Heurne. Gezin: Willem Laakhuijsen / Henrisken Oostendorp (F1251319379)
 
374492 Willem wordt op 31-06-1863 op 37-jarige leeftijd ingebracht in het Huis van Bewaring te Barneveld om reden van diefstal. van de Meent, Willem (I46640)
 
374493 Willem wordt samen met zijn broer Hendrik op 27-02-1846 ingebracht in het Huis van Bewaring te Barneveld om reden van houtdieverij.

Op 30-01-1852 opnieuw (dan alleen) vanwege diefstal. 
van de Meent, Willem (I93250)
 
374494 Willem Woutersen nam in 1812 te Lunteren de naam Manen aan. Hij was toen daghuurder in "De Vheen" van Manen, Willem (I176832)
 
374495 Wim en Mien waren buurjongen en -meisje in de Van Eeghenstraat. Gezin: Willem Sijtzes van de Meent / Wilhelmina Boot (F180)
 
374496 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I687)
 
374497 WINDKORENMOLEN 'DE HOOP'", uit het "Lunters Nieuwsblad" van dinsdag 19 april 1983:

LUNTEREN - Molens zijn nu eenmaal een typisch verschijnsel in het Hollandse landschap en hebben door de jaren heen een rol van betekenis gespeeld. In vroeger eeuwen waren zij onmisbaar om granen tot meel te verwerken en zij deden in het polderland tevens dienst om de waterstand op peil te houden. Nog altijd vormen molens een speciale attractie, gezien de jaarlijkse stroom toeristen naar Kinderdijk.

Ook in Lunteren staat al sinds 1855 een molen, waaraan sedert 1912 de naam Van VELDHUISEN onverbreekelijk is verbonden. In genoemd jaar, 1855 dus, kwam een jonge man naar Lunteren, ROSS genaamd, die daar zijn geluk als molenaar wilde beproeven. Achter in het dorp, destijds nog totaal onbewoond liet hij op een natuurlijke hoogte een molen bouwen, in vakkringen een achtkantige grondzeiler genaamd.

Vrijwel elke molen draagt een naam, soms gekozen uit het vorstenhuis, of in Rooms-Katholieke kringenvernoemd naar een of andere heilige, maar ook wel gestoeld op de verwachtingen van de eigenaar. Onder deze laatste categorie viel de Lunterse molen, die de moedgevende naam "De Hoop" meekreeg. Blijkbaar had ROSS er zelf weinig vertrouwen in, want reeds een jaar later hield hij Lunteren voor gezien. Hij verkocht de molen aan Arie MULDER; toepasselijker naam voor een molenaar is bijkans ondenkbaar. Nog datzelfde jaar liet MULDER er een woning bijbouwen; het zou jarenlang het enige huis in de omgeving blijven.

Per 1 april 1870 gingen molen en woning opnieuw in andere handen over. De nieuwe eigenaar werd Evert Floris ROELOFSEN, lid van een bekende molenaarsfamilie. In dit verband wel aardig om te vermelden is dat een zoon van hem Cees ROELOFSEN, de laatste eigenaar is geweest van de bekende Doesburgermolen, welke thans onder Monumentenzorg valt.

Op 1 december 1912 kwam de molen in het bezit van Hendrikus van VELDHUISEN. Hij kocht molen, woonhuis en bijbehorende gronden voor Hfl. 12.000,--; dat lijkt nu niet veel, maar was voor die tijd een enorm bedrag.

Overigens wist Van VELDHUISEN drommels goed waar hij aan begon, want hij kon bogen op een jarenlange ervaring in het molenaarsvak.

Hendrikus van VELDHUISEN, geboren (te Lunteren) op 12 januari 1869, trad op 1 december 1884, nog geen zestien jaar oud, als knecht in dienst bij Evert ROELOFSEN, zoals reeds gezegd de toenmalige eigenaar van "De Hoop". Een molenaarsknecht dient naast de nodige bekwaamheid geen hoogtevrees te bezitten. Immers, het spannen en reven van de zeilen op de wieken behoort tot zijn werk. Een molenaar leeft, althans in vroeger jaren, bij wijze van spreken, van de wind: enerzijds zijn beste vriend maar soms ook een geduchte vijand. Een plotseling opstekende windvlaag kan heel wat brokken veroorzaken, vandaar dat een molenaar voortdurend de lucht in de gaten houdt en vaak bekend staat als een goed weerprofeet.

Bij een zwakke bries draaien de wieken met volle zeilen, die naarmate de wind sterker waait - steeds meer opgerold worden. Elke molenaar heeft zo zijn eigen manier van werken, ook al afhankelijk van het type molen.

Om zo goed mogelijk het vak onder de knie te krijgen, werkte Van VELDHUISEN op diverse molens. Zo vinden we hem in 1886 te Wageningen, om na diverse omzwervingen, onder andere in Renswoude en Woudenberg, acht jaar later in Putten te belanden. Daar beleefde Van VELDHUISEN eens een angstig avontuur, dat hem altijd is bijgebleven.

Op zekere dag was hij druk doende, halverwege op het latwerk van een wiek staande, het zeil vast te maken. Zijn baas Van de POL, had daar geen erg in en maakte, daar de wind gunstig was, de vang los waardoor de wieken in beweging kwamen, tot grote schrik van Van VELDHUISEN. Toen Van de POL de situatie door had was het te laat; stilzetten van de wieken was weliswaar mogelijk, maar terugdraaien niet. Van VELDHUISEN moest de volle rondgang meemaken: hij hield zich met handen en voeten vast en hing bij de hoogste stand loodrecht met het hoofd naar beneden. Gelukkig slaagde zijn baas erin om op het juiste moment de zaak te stoppen en bereikte de hoogvlieger ongedeerd de begane grond en was vrij spoedig over de schrik heen.

Weer wat later werkte Van VELDHUISEN, zij het voor korte tijd, te Achterberg. Daar leerde hij zijn vrouw Gijsbertje EVERTSE, kennen met wie hij op 6 juli 1898 in het huwelijk trad. Als getrouwd man werd hij nog in datzelfde jaar maalknecht bij GOLDSTEIN in Teuge tegen een loon van viereneenhalve gulden per week plus vrij wonen.

Vanaf 18 augustus 1899 staat Van VELDHUISEN weer bij de Burgelijke Stand van de gemeente Ede ingeschreven, nu werkzaam bij Van de CRAATS, ook al een bekende naam in molenaarskringen. Hij werd zetbaas op de bekende "Keetmolen" aan de Stationsweg te Ede en steeg zijn verdienste geleidelijk tot zeven gulden per week plus vrij wonen.

Na al deze omzwervingen, kwam op 1 december 1912 de grote stap; Hendrikus van VELDHUISEN kocht de molen "De Hoop" en vestigde zich als zelfstandig molenaar te Lunteren. Ondanks al zijn routine en vakmanschap, waren de eerste jaren verre van gemakkelijk. De Lunterse molen bleek tamelijk verlopen en klanten kwamen voorlopig slechts sporadisch opdagen. Maar Van VELDHUISEN, die al zijn geld in het bedrijf had gestoken, kon zich geen verlies permitteren. Dus redeneerde hij: "Als de klanten niet bij mij komen ga ik naar hen toe". Hij trok met paard en wagen de boer op, haalde het graan op en bracht dat later als meel weer terug. Dankzij zijn correcte manier van zaken doen, kregen de boeren het nodige vertrouwen in hem en na verloop van een paar jaar had de molen volop werk. Bovendien ging Van VELDHUISEN met zijn tijd mee; er werd een malerij bijgebouwd, waardoor met behulp van een gasmotor ook op windstille dagen het werk door kon gaan. Het molenerf ontwikkelde zich geleidelijk tot een geliefkoosde verzamelplaats van de dorpelingen, die niet alleen een kijkje kwamen nemen bij het altijd imponerende schouwspel van draaiende molenwieken, maar tegelijkertijd de laatste dorpsnieuwtjes uitwisselden.

Molenwieken kunnen, althans voor kenners, door hun stand een bepaalde situatie weergeven. Bij een rustdag worden de wieken in kruisstand gezet en de zeilen geborgen. Een oud rijmpje zegt dan ook: "De molen in een kruis, molenaar niet thuis". Een feestdag wordt aangeduid door de onderste wiek ongeveer een halve meter naar links uit het midden van de molenromp, in komende stand te zetten. Ten teken van rouw hetzelfde, maar dan een halve meter naar rechts, in gaande stand, hetgeen erop moest wijzen dat het verleden voorgoed voorbij was.

Ontelbaar zijn de verhalen en gedichten die betrekking hebben op molens en molenaars. Ook Hendrikus van VELDHUISEN heeft een loflied gemaakt, dat wij hier laten volgen :

Hier maalt men graan tot meel,
Voor rijk of arm, 't is me evenveel,
Dat doe ik voor een klein gewin,
Voor mij en mijn gezin,
Maar om 't iedereen van pas te maken,
Dat zijn de moeilijkste zaken,
Die men op de wereld vindt,
Ik woon hier aan de weg,
Wat zou ik meerder wensen,
De zegen van de Heer,
De gunst van vele mensen.

Nog een vierregelig rijmpje, ontleend aan het boek "De molen in ons volksleven" en ongetwijfeld ontsproten aan het brein van een molenaarsknecht :

Het molenaarsleven,
Heeft God de wereld gegeven,
Maar het zakken dragen boven macht,
Is door de duivel zelf bedacht.

In de oorlogsjaren draaide "De Hoop" nog vaak op windkracht, soms met, maar veel vaker zonder vergunning. Mensen uit de verre omgeving brachten hun graan, dat veilig in een oude schuur werd opgeborgen tot de kust veilig was om het te malen. Hendrikus van VELDHUISEN was terecht trots op zijn molen en heeft die altijd zorgvuldig onderhouden. In 1948 werden geheel nieuwe gestroomlijnde wieken aangebracht en de rieten bekleding werd vernieuwd. Ook het schilderwerk kreeg steeds de modige aandacht, vandaar het fraaie en degelijke gezicht dat de molen nog altijd oplevert.

Tot op hoge leeftijd, de tachtig al gepasseerd, was Van VELDHUISEN nog dagelijks bij zijn molen te vinden. Een maand voor zijn overlijden, voorjaar 1953, zette hij nog eigenhandig de wieken in beweging. Het eigenlijke bedrijf was toen al in handen van drie van zijn vijf jongens, Willem, Cornelis en Evert Jan. De drie gingen natuurlijk met de eisen van de moderne tijd mee, maar hielden ook "De Hoop" nog in ere; in 1973 werd de molen nogmaals gerestaureerd. Zij hebben ervoor gezorgd, dat "De Hoop" na meer dan hondervijfentwintig jaar,een bouwerk is gebleven, waarop niet alleen de familie Van VELDHUISEN, maar heel Lunteren trots op kan zijn. Regelmatig, vooral bij zomerdag, wordt de molen bezocht door pensiongasten en groepen schoolkinderen. Zij worden dan rondgeleid door Cornelis van VELDHUISEN, inmiddels ook de tweeentachtig al gepasseerd, maar die nog lenig voor gaat, over uitgesleten traptreden tot het hoogste punt van de molen.

Op de begane grond leest men op het houtwerk het bouwjaar van de molen, namen van diverse eigenaars en werknemers, alsmede een collectie oude gereedschappen. Zodra buiten middels het kruirad de wieken naar de wind zijn gezet en de vang wordt losgemaakt, komt het hele samenstelsel van in elkaar grijpende tandwielen in beweging. Een ingewikkeld houten tandrad zorgt er zelfs voor, dat de zakken graan naar boven worden gehesen om na tussen de grote stenen vermaald te zijn, op dezelfde manier weer op de begane grond te belanden. Helaas het eigenlijke doel van een korenmolen is al lang voorbij maar op hoogtijdagen kan men in Lunteren nog altijd "De Hoop" met volop draaiende wieken in oude glorie bewonderen. 
van Veldhuisen, Hendrikus (I57942)
 
374498 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Levend (I79412)
 
374499 winkel: van Mandersloostraat 4, Alphen aan den Rijn van Muijen, Johannes Carel (I80507)
 
374500 Wisch 1823, huwelijksacte 7 Gezin: Theodorus Joannes Lentzing / Aleyda Verhold (F13598)
 

      «Vorige «1 ... 7486 7487 7488 7489 7490 7491 7492 7493 7494 ... 7534» Volgende»