| Aantekeningen |
- Uit De Viersprong, 25e jaargang nr. 95, mei 2008
De Raadhuisstraat en zijn bewoners XVIII
door G. P. van Muijen
(vervolg van het verhaal bij Cornelis Coenecoop, ged. 04-11-1691)
Broodbakkerij Beck
Rademakers verkocht in 1809, op de dag van aankoop, het pand door aan Nieuwkoper Jan van Wieringen voor 1.348 gulden 14 stuivers. Dirk Turkenburg, die aan de landzijde van de straat een perceel in eigendom had, kreeg recht van overpad naar de rivier, waarover later meer. Jan van Wieringen verhuurde het pand, waarin de broodbakkerij was gevestigd, aan Johan Willem Beck, die onder huwelijkse voorwaarden getrouwd was met Elisabeth Maria Roelofswaard. Op 21 april 1821 werd dit echtpaar eigenaar van het pand.
Waarschijnlijk hebben zij de bakkerij verbeterd, want aan het eind van datzelfde jaar leenden zij duizend gulden tegen 5% rente en beloofden 'solitair' (ieder voor zich) het bedrag te zullen terugbetalen. In 1832 leende het echtpaar Beck-Roelofswaard zeshonderd gulden tegen 5% rente van de Alphense timmerman Jan Bollee. Het huis met broodbakkerij en erf werd ingebracht als zekerheidsstelling. Gemachtigde hierbij was de Aarlanderveense suikerbakker Hendrik Nobbe (later banketbakker Jollie, Raadhuisstraat nr. 242). Na het overlijden van Johan Beck zette zijn weduwe de bakkerij voort tot aan haar overlijden in augustus 1832; de boedelverdeling vond pas in 1842 plaats. Het is mogelijk dat de familie Beck, met name hun zoon Gerard (Gerardus), de zaak in de tussenliggende tien jaar draaiende heeft gehouden. Bij de boedelscheiding kregen Gerard, zijn zusje Anna Wilhelmina Beek, huisvrouw van Johan Hendrik Nobbe (banketbakker te Aarlanderveen en zoon van Hendrik Nobbe) en zijn andere zusje Elisabeth Clarina Beck, huisvrouw van Gebhart Christof Bollinger (bollenbakker te Leiden) ieder voor éénderde deel de bakkerij van hun ouders in bezit. Direct daarna verkochten de twee zussen hun erfdeel (via de gemachtigde Bollinger) aan Gerard Beck 'voor de condities en bedrag dat Bollinger zal goedvinden' (tweeduizend gulden)." Gerard was ongehuwd en had kennelijk geen contanten om de koopsom onmiddellijk te voldoen. Dus sloot hij een hypotheek af, waarin hij erkende aan mevr. Theodora Alijda van Wijlick, grondeigenaresse te Oudshoorn en weduwe van Carel Piek, drieduizend gulden verschuldigd te zijn. Misschien vertrouwde de weduwe het niet helemaal want zij liet in de koopakte opnemen: 'terug te geven of te betalen in handen van vrouwe Theodora Alijda van Wijlick of van de houder der grosse dezer akte, in goed Nederlands goud- en zilver geld en in geen papierengeld of publieke effecten. Terug te betalen jaarlijks honderd gulden, wel meer maar niet minder, op de eerste maart van elk jaar.' Bovendien werd vastgelegd dat 'het verbonden perceel door de comparant niet zal mogen worden verkocht of gewijzigd, verder belast of bezwaard of in waarde wordt verminderd, niet van bestemming verandert, alsmede dat hij (Gerard) hetzelve niet zal vermogen aan anderen in gebruik te geven of langer dan één jaar te verhuren, noch dat enige huurpenningen vooruit betaald zullen mogen worden, zolang de voorschreven schuld met de interest niet geheel zal zijn voldaan.'
Verkoop van onroerend goed
In 1850 werd aangekondigd dat mr. Albertus Jongkindt Coninck als gemachtigde van Gerard Beck aan de meest biedende te koop aanbood: 'een kapitaal, hecht en sterk en zeer net betimmerd huis met erve, zijnde een florissante en een goed bestaan opleverende broodbakkerij met de tot deszelfs uitoefening vaste en losse gereedschappen, bevattende het huis en een grote winkel, ruim behangen voorkamer met vele gemakken en nette stookplaats, binnenkamer en tuinkamer aan de Rijn, beide ook van stookplaatsen voorzien. Dito bovenkamer alsmede een ruime bakkerij, buil- en grote graanzolder. Het pand staande en gelegen aan de Lage Zijde van de Rijn, strekkende van de straat tot de Rijn, belend aan de ene zijde Van Werkhoven (boekhandelaar) en aan de andere zijde met een steeg of poort aan het eigendom van Maseland (manitfactiirier), groot twee roeden en achtentwintig ellen. Vanouds (sinds 1809) belast met het verlenen van een vrij en onverhinderd overpad door de steeg en het afdak, vrijheid van laden en lossen van zonneop- tot zonneondergang ten behoeve van het huis, stal en erve van wijlen Dirk Turkenburg.' Het perceel is belast met een hypotheek van achtentwintighonderd gulden ten gunste van mevr. Theodora Alijda van Wijlick. '
Deze verkoop lijkt niet te rijmen met de 'florissante en een goed bestaan opleverende broodbakkerij'. Kennelijk kon Gerard Beck niet voldoen aan de afbetalingsvoorwaarden van zijn hypotheek. Ook al blijkt er slechts tweehonderd gulden te zijn afgelost, de rente was hopelijk wel op tijd betaald. Het perceel kreeg een andere eigenaar, maar Beck bleef er als huurder en broodbakker wonen. In 1866 kwam, na 56 jaar, een eind aan het bestaan van de broodbakkerij van Beck. In dat jaar verkocht Stephanus Piek, wethouder der gemeente Oudshoorn, voor zich en als gemachtigde van Vrouwe Neeltje de Willigen, Vrouwe Theodora de Willigen en de onder curatele staande Karel de Willigen, allen woonachtig te Vlaardingen, het pand aan Willem Cambier van Nooten, boekhandelaar te Aarlanderveen, voor drieduizend gulden, kosten koper en contant betaald.
Bovendien werden, namens Stephanus Piek te Oudshoorn als gemachtigde van de erfgenamen van wijlen Theodora Alijda van Wijlick, weduwe van Carel Piek, twee hypotheken die waren ingeschreven ten laste van Gerard Beck te Aarlanderveen, doorgehaald als niet invorderbaar. Theodora Alijda van Wijlick was op 24 juli 1852 te Oudshoorn overleden.
Willem Cambier van Nooten liet het pand afbreken en herbouwen als de bekende, wat opvallende witte villa, die hij in 1869 betrok. In 1888 verliet hij het pand om plaats te maken voor zijn opvolger, J.L. Kouwenaar. Zelf ging Willem met zijn echtgenote, twee dienstknechten en twee dienstmaagden in villa 'Vredelust' te Oudshoorn wonen.
Kouwenaar deed per 1 januari 1892 de boekhandel en drukkerij (nr. 277) en het woonhuis (nr. 279) over aan Willem Constant van de Ree en Johannes Koomans. Dit duo hield het samen niet lang vol en op 15 november 1893 werd de samenwerking beëindigd. Van de Ree werd eigenaar van beide panden, die hij in 1913 verkocht aan zijn medewerker Arie Cornelis de Haan." Waarschijnlijk had de buurman, de firma Maseland/Breukel, aan de noordzijde van nr. 279, toen al recht van overpad naar de Rijn gekregen. Immers door de uitbreiding van hun winkel was de toegang tot het achterterrein komen te vervallen. Ook kreeg de aan de landzijde van de straat (op nr. 216) gevestigde groentehandelaar Adriaan van Engelen toestemming om zijn groen-wit geblokte parlevinker-roeiboot via de poort van De Haan te bevoorraden. Met deze roeiboot liet hij zich door vaartuigen meeslepen van Alphen naar Gouwsluis en andersom, om zijn handel aan schippersvrouwen te slijten.
De Haan verhuisde in 1954 met zijn gezin naar Zeist. Het pand nr. 279 kwam in 1955 in handen van Vroom & Dreesmann. Men wilde het huis en de bijbehorende poort toevoegen aan het winkelpand van voorheen Maseland/Breukel, Raadhuisstraat nrs. 281-283. V&D had dit winkelpand al sinds 1949 in zijn bezit. V&D kreeg inderdaad op 5 juli 1955 een bouwvergunning om het huis inwendig aan te passen, waarbij de voorgevel niet mocht worden veranderd. Er was echter nog een probleem. Een gemeentelijke technicus twijfelde aan de nieuw te maken beton- en staalconstructies. Hij rekende een en ander door, gebruikmakend van een potloodje en de blanke achterkant van oude gemeentelijke loonstaten. Op enkele punten moest de constructie worden aangepast. Een tweede bouwvergunning werd in het najaar van 1955 afgegeven. Het huis ging dienen als opslag, kantoor en een rijwielberging die via de poort bereikbaar was.
In januari 1989, na de verhuizing van V&D naar de Van Boetzelaerstraat, werd het huis nr. 279 en de verdere bebouwing afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw.
|