| Aantekeningen |
- Ook: van Voirthusen
In mei 1456 wordt vermeld: "Heer Evert van Voirthusen machtigt Gerit Stevenszoon in te manen 2 gulden van Henric Dibboltsz." Uit de betiteling Heer of Har kan men concluderen dat Evert ridder was, deze titel was exclusief voorbehouden aan de hogere adel, ridders en geestelijke heren, de enige andere mogelijkheid is dus dat hij priester was, maar dat lijkt weer onwaarschijnlijk gezien zijn gehuwde staat en nageslacht.
In mei 1495, wordt te Harderwijk over zijn dochter vermeldt: "Joffer (dochter van een edelman) Liesken van Voirthuesen in wereldlike klederen heeft tot haar momber gekoren Jan van der Zeede en hem gemachtigd inzake versterf van haar vader en moeder". Waarschijnlijk was Liesken religieuse, want anders is het niet te verklaren waarom uitdrukkelijk wordt vermeld dat zij bij deze gelegenheid wereldse kleding droeg.
Wat kunnen wij uit het bovenstaande concluderen?. Ten eerste dat Evert riddermatig was; dat er bij zijn nazaten nooit van riddermatigheid melding wordt gemaakt, behoeft ons niet te verwonderen, de titel ridder was namenlijk in de die tijd nog niet erfelijk; men werd voor zijn eigen verdiensten door een hoger Heer tot ridder geslagen terwijl zijn nazaten niet zulke grote verdiensten hadden. Ten tweede dat hij gehuwd was met een nog onbekende vrouw. Ten derde dat zowel Evert als deze vrouw in mei 1495 reeds waren overleden.
Van een andere tak van de familie van Voorthuijsen, welke woonachtig was te 's-Heerenberg is ook zeker dat zij riddermatig was. Dr. A.P. van Schilfgaarde vermeldt in zijn repertorium van het archief van het Huis Bergh: "1553, Heer Gerryt van Voerthuyssen ontvangt 4 ridderguldens, 15 stuuver ende 2,5 oort jaarrente uit de Cleefsche goederen".
Ene Blankart van Voerthusen wordt reeds rond 1330 genoemd (minimaal 3 generaties voor Heer Evert/Elbert) in de Schatting Lande van Gelre, onder "die ander Heren luden" (dus niet van de Graaf de latere Hertog van Gelre) maar onder abbatisse Altinensi, de twaalfde abdes van Hoog-Elten, genaamd Mabilia Jonkvrouwe van Batenburg, 1308-22 december 1333. Het klooster Sint Vitus van Hoog-Elten had alleen al op de Veluwe 65 goederen of boerderijen, o.a. te Appel bij Voorthuizen. Deze werden beheerd door het rentmeestershuis dat gevestigd was te Kemna vlakbij Nijkerk. Deze goederen werden door de Veluwse bevolking "Vrouwengoederen" genoemd omdat het Sint Vitus een klooster was uitsluitend voor hoogadelijke dames. Blankart woont in de cloeft van Gherderen, cloeftleider is Neuden van der Biesen, cloeft Garderen is ongeveer de tegenwoordige gemeente Barneveld. Blankert is zeer waarschijnlijk beheerder van een van de bezittingen van het klooster van Hoog-Elten. Zie voor de geschiedenis van Elten en het Goed Voorthuijsen bij Elten, "Elten, Land und Leute", door Leo Gies bij Boss-Druck und Verlag te Kleef, 1951. Blankart woonde zeer waarschijnlijk te Appel, hij betaalt IIII ponden, dit is een van de hoogste belastingtarieven, de gemiddelde aanslag is I pond, 8 schellingen en 2 grooten. De ambtenaren van de Hertog waren blijkbaar nogal streng voor lieden die niet tot zijn onderdanen behoorden, want in eerste instantie was de aanslag VI pond. Maar uiteindelijk komt Blankart er met genoemde 4 pond vanaf. Vrancke van Estvelde betaalt als enige VII ponden. Hiermee lijkt ook de verbinding tussen de van Voorthuijsens van het goed Voorthuijsen onder Elten en die van de Veluwe aangetoond.
|