| Aantekeningen |
- Doet als j.d. belijdenis aldaar 30 december 1712.
Adriana testeert op 2 mei 1764 alleen, als bejaarde ongehuwde dochter. Ze is beneden de 3.000 gulden gegoed. Ze prelegateert aan haar zuster Eva Leeuwenhoek enige sieraden, het grootste deel van de aanwezige kleding (deels van haar vader) en van het linnegoed. Anthony Leeuwenhoek, zoon van wijlen haar broer Pieter, krijgt sieraden, waaronder "een silver signet" met het wapen van Leeuwenhoek, kleding, porcelein alsmede jaarlijks een bedrag van 50 carolus gulden van 20 stuivers het stuk. Haar neven en nichten Gerrit, Adriaan, Eva, Jacoba en Catharina Leeuwenhoek, kinderen van wijlen haar neef Lambertus Leeuwenhoek, krijgen enkele sieraden en kleding van haar en haar overleden zuster (= Magdalena) afkomstig. De kinderen van Lambertus krijgen gezamenlijk de rest van de huisraad. Nicht Judith van den Burgh, bejaarde dochter te Delft, krijgt 25 carolus guldens. Tot universele erfgenamen benoemt zij verder de kinderen van Lambertus Leeuwenhoek, met dien verstande dat alles onder berusting van de executeurs moet blijven zolang haar zuster Eva nog leeft, die het vruchtgebruik ervan krijgt. Executeurs zijn de broers Gerrit, Adriaen en Jacob Leeuwenhoek, kinderen van Lambertus. Ze krijgen alle macht, met dien verstande dat zij niet mogen verkopen haar testatrices tuin met de twee huisjes daarbij behorende aan de Buitenwatersloot in Delft, waar thans haar zuster Eva woont en die daar haar leven lang mag blijven wonen.
Op 7 mei 1767, kort voor haar dood, testeert Adriana wederom. Anthony krijgt als legaat o.a. de goederen in 1764 genoemd. Eva Leeuwenhoek krijgt "het huijs en erve aen de westzijde van het Oude Delft op den hoeck van de Smitsteeg alhier bij haer testatrice bewoond werdende met het kleijne huijsje daeragter aen haer testatrices thuijn met de twee huijsjes daeraen behorende op de Buijtenwaetersloot alhier" en verder alle meubelen, klederen, juwelen, goud en zilver etc. die zij zal nalaten en niet hierboven zijn gelegateerd. Alle lasten van deze legaten -en wel speciaal de collaterale successie- moeten uit de rest van de erfenis worden betaald. Het vruchtgebruik van alle overige bezittingen van Adriana wordt haar zuster Eva en haar tegenwoordige man Arnoud Carlier gegund en na het overlijden van die beiden haar overleden broederszoon Anthony Leeuwenhoek. Het eigendom gaat naar de kinderen van Anthony. Die ontbrekende dan naar de kinderen van wijlen haar testatrices neef of vaders broeders zoon Lambertus Leeuwenhoek, in zijn leven gewoond hebben in Haastrecht. Voogden over het testament zal zij nog bij akte benoemen. (Dat doet zij in de erop volgende verklaring van 7 mei 1767, waarin zij tot voogden benoemt Arnoud Carlier en notaris Hendrik Halder). De oppervoogdij over het door de minderjarige erfgenamen geërfde en hetgeen in vruchtgebruik is gegeven wordt aan de Weesmeesters van Delft gegeven. Zij verklaart beneden de 8.000 gulden te zijn gegoed. Op 31 juli 1767 wordt de boedelbeschrijving opgemaakt.57 Adriana is op 27 mei 1767 in haar woning aan de westzijde van de Oude Delft overleden. Uit de boedelbeschrijving blijkt dat het huis aan de Smitsteeg (of Smoorsteeg) oorspronkelijk -2 december 1656- in eigendom is gekomen
van Lambregt Huijgensz. Leeuwenhoek. Het andere huisje, liggende aan de noordzijde van de Buitenwatersloot, was oorspronkelijk aan Lambregt Leeuwenhoek gekomen op 27 februari 1682 en de twee huisjes aan de noordzijde van de Buitenwatersloot aan Adriana, Lambert en Magdalena Leeuwenhoek op 14 juni 1746. Uit de obligaties blijkt dat haar ouders op 24 februari 1706 en 3 augustus 1708 lijfrenten hebben gekocht ten behoeve van Adriana (14 resp. 17 jaar oud) van elk 20 gulden per jaar.
Op 27 februari 1768 levert notaris Christiaen Westakker bewijs aan de Weeskamer dat Arnoud Carlier en de thans overleden Hendrik Halder tot voogden waren benoemd. De Weeskamer benoemt op die datum notaris Christiaen Westakker, na het overlijden van notaris Hendrik Halder, tot voogd. De rekening van de boedel is voor de Weeskamer op 28 juni 1768 gedaan. Vervolgens worden door notaris Westakker zes rekeningen gedaan, de laatste op 28 april 1781. Op dat moment was 7/8 van de goederen uitgekeerd aan de meerderjarige erfgenamen. Het overige 1/8 part, toekomende aan de minderjarige Lambertus Leeuwenhoek, zijnde groot 534 gulden en 6 penningen, wordt nog door de Weeskamer beheerd. Op 5 april 1798 compareerde Lambertus Leeuwenhoek, meerderjarig, die zijn erfdeel ophaalde, zijnde 792 gulden en 16 stuivers.
|